KENNISARCHIEF 2019 - 2020

Nieuws

card image

Nieuws

Monitor Brabantse bedrijventerreinen 2020

Nieuws

Nieuws

Monitor Brabantse bedrijventerreinen 2020

In Brabant is de match verbeterd tussen vraag en aanbod van grond op bedrijventerreinen, zowel in oppervlakte als in type terreinen. Dat blijkt uit de Monitor Brabantse Bedrijventerreinen 2020.

De werkgelegenheid is ook gestegen, met name in de industrie, logistiek en groothandel. En de productie van stroom via zonnepanelen op daken is in een jaar tijd meer dan verdubbeld. In 2019 is 120 hectare aan nieuwe grond uitgegeven. In 2018 lag deze uitgifte nog op 186 hectare, de hoogste in 15 jaar. De uitgifte vond vooral plaats op grootschalige terreinen (75 ha). Dit correspondeert met de hoge banengroei in de sectoren industrie en logistiek. Deze sectoren vragen grote kavels. Afgelopen jaren is het aanbod aan grond op bedrijventerreinen gedaald tot een niveau waarbij er bijna geen overaanbod meer is in aantal hectaren grond. Ook is er een betere match tussen de vraag naar en aanbod van verschillende typen bedrijventerreinen. Regionaal zijn nog kleinere tekorten en overschotten.

Lees de Monitor Brabantse Bedrijventerreinen 2020

Vraag naar grote kavels blijft

De vraag naar grootschalige bedrijventerreinen zal nog toenemen. Vooral in de regio Midden- en West-Brabant is het aanbod van directe kavels beperkt. Nieuwe terreinen worden ontwikkeld zoals Wijkevoort in Tilburg en Logistiek Park Moerdijk, en ook Heesch-West in Noordoost-Brabant. Tegelijkertijd wordt er ingezet op het her-ontwikkelen van bestaande bedrijventerreinen, zogenoemde brownfields.

Gedeputeerde Erik Ronnes van Ruimte: “De ruimtelijke impact bij ontwikkeling van nieuwe terreinen is groot. Daarom maken we als provincie zorgvuldige afwegingen, samen met de regio’s, waar we wat willen en waar juist niet. De omgevingskwaliteit is hierbij een belangrijke voorwaarde.” Voor kleinschalige bedrijventerreinen hebben gemeenten meer aanbod dan de verwachte vraag tot en met 2030, respectievelijk 235 hectaren en 135 hectaren. Dit speelt vooral in West- en Noordoost-Brabant, maar ook in Zuidoost-Brabant. “Deze uitkomsten en mogelijkheden voor de toekomst worden met de regio’s besproken”, licht gedeputeerde Ronnes toe.

Werkgelegenheid op bedrijventerreinen

Het aantal banen op bedrijventerreinen is in de periode 2014-2019 in Noord-Brabant met 14% toegenomen, daarbuiten met bijna 7%. De grootste groei in het aantal banen op bedrijventerreinen zit in het afgelopen jaar in de sectoren industrie (5.400 banen) en logistiek en groothandel (3.500 banen). De groei in de industrie zit voor het overgrote deel in de regio Zuidoost-Brabant in de High techsystemen en materialen (HTSM). De groei in banen in de logistiek en groothandel vindt plaats in de regio’s West-, Midden- en Noordoost-Brabant.

Verdubbeling zonnestroom van daken

In het afgelopen jaar is de productie van zonnestroom op daken op bedrijventerreinen toegenomen van 74 miljoen KWh naar 172 miljoen kWh per jaar. Ook zit er nog veel in de pijplijn; er zijn door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland SDE+subsidies goedgekeurd die zorgen voor nog eens 724 miljoen kWh per jaar. Het openbare net levert nu 8.000 miljoen kWh elektriciteit aan de Brabantse bedrijventerreinen. Dit is 60% van de stroom voor alle bedrijven in heel Brabant. De inschatting is dat met zonnepanelen op daken in de toekomst ongeveer 40 procent van de huidige vraag duurzaam kan worden opgewekt. Daarnaast ligt er op bestaande bedrijventerreinen de uitdaging om gebouwen en processen energiezuiniger te maken.

Effecten coronacrisis nog onduidelijk

Na 5 jaar sterkere economische groei dan landelijk, keerde de groei van de Brabantse economie in 2019 terug naar het landelijk groeipad. Deze lag in 2019 op 1,7%, net iets onder het landelijk gemiddelde. De monitor geeft de cijfers tot en met 2019. Het betreft dus de ontwikkelingen van de Brabantse bedrijventerreinen vóór de coronacrisis. De impact daarvan op onze economie en de sectoren is nog onzeker. De verwachting is dat de economie in 2020 krimpt met 6 tot 8%. De gronduitgifte volgt deze ontwikkeling, meestal met een jaar vertraging. En het loont om gronden pas te ontwikkelen als er concrete vraag naar is vanuit de markt. De provincie wil deze werkwijze in alle regio’s blijven toepassen.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Bedrijventerreinstrategie 2020 provincie Zuid-Holland gepubliceerd

Nieuws

Nieuws

Bedrijventerreinstrategie 2020 provincie Zuid-Holland gepubliceerd

Een aantrekkelijk en toekomstbestendig vestigings- en werkklimaat voor werkgevers, werknemers en bedrijven realiseren, dat is de inzet van de provincie Zuid-Holland. Aantrekkelijke en concurrerende bedrijventerreinen spelen hierin een belangrijke rol. Daarom is de provinciale bedrijventerreinenstrategie geactualiseerd met als doel om toe te werken naar voldoende geschikte, duurzame bedrijventerreinen in Zuid-Holland.

De provinciale inzet op het beleid voor bedrijventerreinen blijft grotendeels gelijk. De 3 uitgangspunten van het provinciaal bedrijventerreinenbeleid blijven namelijk in stand. Deze beleidslijnen hebben de afgelopen jaren een sterke bijdrage geleverd aan het aantrekkelijk en concurrerend houden van de Zuid-Hollandse bedrijventerreinen en de verwachting is dat dat de komende jaren ook zo zal zijn.

De uitgangspunten zijn:

  1. Evenwicht in vraag en aanbod is het hoofddoel waaraan beleidslijn 2 (beter benutten) en 3 (verduurzamen) een belangrijke bijdrage leveren. Essentieel hierbij is het maken van behoefteramingen om vraag en aanbod inzichtelijk te maken. Het beter benutten van bestaand aanbod, functiemenging en het ontwikkelen van nieuwe terreinen kan leiden tot een vergroot aanbod aan ruimte op bedrijventerreinen.
  2. Beter benutten en functioneren van bestaande bedrijventerreinen. Voorbeelden zijn de bedrijventerreinen Schieoevers bij Delft en Binckhorst bij Den Haag waar men werkt aan mogelijkheden om diverse functies te mengen. In specifieke gevallen is ook (extra) woningbouw mogelijk.
  3. Verduurzamen en voorbereiden op de toekomst: de provincie zet in op het duurzamer en aantrekkelijker maken van bedrijventerreinen. Zo heeft vergroening vele positieve effecten: het leidt tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit en tot een betere inpasbaar in het landschap. Het biedt betere mogelijkheden tot ontspannen: werknemers en omwonenden kunnen op het bedrijventerrein een 'groener' rondje lopen. Groen en vergroening werkt klimaatadaptief (water stroomt beter weg en helpt tegen hitte). Hiervoor kunnen ondernemers/gemeente planvormingssubsidie aanvragen. Verder komt er een duurzaamheidsregeling, waarin groen ook een belangrijk onderdeel wordt. Voorbeelden hierbij zijn Zuidland in Nissewaard en vanuit Westland, Dordrecht en Den Haag zijn dit jaar subsidieaanvragen ontvangen om zonnepanelen op bedrijfsdaken te realiseren.

Omgevingsbeleid

De bedrijventerreinenstrategie bevat ook voorstellen voor aanpassing van onderdelen van het provinciale Omgevingsbeleid. Deze strategie doet onder andere voorstellen voor nieuwe mogelijkheden op het gebied van compensatie van bedrijventerreinen, de status van de regionale bedrijventerreinenvisies, de introductie van woon-werk-akkoorden, de structurele inzet op leegstandsaanpak en een bredere inzet op duurzaamheid en energieverbruik.

Meer informatie

Bedrijventerreinenstrategie provincie Zuid-Holland 2020

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Nieuwe vestiging Plieger Express op bedrijvenpark De President

Nieuws

Nieuws

Nieuwe vestiging Plieger Express op bedrijvenpark De President

Na slechts vier maanden bouw heeft Bouwbedrijf Bloed de nieuwe vestiging van Plieger Express op bedrijvenpark De President in Hoofddorp opgeleverd. Op de kavel van 1.330 m2 is in opdracht van Plieger B.V. door Van der Meijden Vastgoed een modern afhaalmagazijn voor de professionele installateur gerealiseerd. De President is een ontwikkeling van Gemeente Haarlemmermeer en SADC.

Met deze nieuwe vestiging in Hoofddorp verstevigt Plieger zijn positie in Noord-Holland. Het nieuwe pand is met een warmtepomp, led-verlichting en vloerverwarming een van de meest duurzame vestigingen van Plieger.

Plieger is een specialist in sanitair, verwarming, installatie, lucht & ventilatie en elektra. Met een eigen expeditie, centraal magazijn en hoofdkantoor in Zaltbommel en 56 vestigingen in Nederland met 750 medewerkers levert Plieger een assortiment van meer dan 150.000 artikelen aan onder andere installateurs, loodgietersbedrijven, detaillisten en bouwmarkten.

Koert Huisman, algemeen directeur Plieger B.V.: “Ons streven altijd in de buurt van de professionele installateur te zitten, is met 56 Express vestigingen in het land echt geen loze kreet te noemen. En we blijven op zoek naar nog meer goede locaties, zoals hier op De President.”

Eelco Kienhuis, Salesmanager SADC: “Plieger is een mooie aanwinst voor De President. De regionale functie past goed op het business park. Door de directe nabijheid van de A4 en A5 zijn ze in staat om hun klanten in de brede regio nog beter van dienst te zijn.”

 

Lees verder

Achtergrond

card image

09-10-2020

Rijk kan veel meer betekenen bij campusontwikkeling

Achtergrond

Achtergrond

Rijk kan veel meer betekenen bij campusontwikkeling

‘De Nederlandse economie draait op innovatie’

Campussen zijn de drijvende innovatiekrachten in Nederland. Overheid, onderwijs en het bedrijfsleven komen er samen. Gemeenten en provincies investeren daarom graag in campusontwikkeling, maar bij de Rijksoverheid is er een blinde vlek. Een roep om meer nationale bemoeienis vanuit de campussen zelf was reden voor Kamervragen.

Meer weten over bedrijven in de stad? Op 29 oktober 2020 organiseren de SKBN en vaklad BT het Event 'De bedrijvige stad'.

Bij gemeenten en provincies staan campussen, gebieden waar kennisinstellingen en bedrijven fysiek bij elkaar zitten, op de radar. Gemeenten verankeren campussen in economisch en ruimtelijk beleid, provincies zijn meer van een afstandje betrokken met bijvoorbeeld regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Kijk je naar campussen waar de nadruk echt op research and development ligt en waar substantiële kennisdragers als universiteiten, een TNO of grote R&D-centra van bedrijven aanwezig zijn, dan zijn er in Nederland 35 campussen, verspreid over het hele land.

De grote animo voor en miljoeneninvesteringen in campussen zijn niet verbazingwekkend. Het samenbrengen van bedrijvigheid en kennis sluit naadloos aan bij het aloude economisch geografische adagium ‘proximity is key’. Cluster bedrijven die elkaar wat te bieden hebben, en ze versterken en inspireren elkaar. Voeg er een kennisinstelling aan toe, en je geeft een flinke impuls aan het innoverend vermogen. Kruisbestuiving gedijt bij nabijheid.

Het succes van campussen blijkt uit de cijfers. In de periode 2014-2018 was de groei van het totale aantal arbeidsplaatsen op campussen 22 procent, ten opzichte van 6 procent in de gemeenten waar zij gevestigd zijn. Bij de ruim 2.200 bedrijven op de 17 grootste campussen werken meer dan 47 duizend mensen, becijferde Buck Consultants International (BCI).

Gregor Heemskerk, partner en adviseur bij Twynstra Gudde, moedigt campusontwikkeling van harte aan: ‘Gemeenten en provincies investeren graag in campussen en ook het bedrijfsleven ziet er steeds meer het belang van in. De Nederlandse economie draait op innovatie. Campussen en de samenkomst van overheid, markt en onderwijs die zij faciliteren, zijn daarin essentieel. Zij zorgen voor koppeling van theoretische kennis aan uitdagingen vanuit het bedrijfsleven.’ Heemskerk werkte met Twynstra Gudde onder meer aan de Brainport Industries Campus in Eindhoven, het Utrecht Science Park en de Novio Tech Campus in Nijmegen.

Rijk is amper betrokken

Schitterend in afwezigheid bij de regie op campussen is het Rijk. Vanuit het topsectorenbeleid wordt in 2020 bijna vijf miljard euro geïnvesteerd in kennisontwikkeling en innovatie, deels met geld afkomstig van maar liefst acht ministeries. In het Kennis- en Innovatie Convenant van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), waarin de miljardeninvestering wordt toegelicht, blijft het fysieke aspect van innovatie echter nagenoeg onbelicht.

Voor de tien grootste campussen van Nederland, verenigd in het Nationaal Campussen Overleg, was de dit reden om in juli het manifest Toplocaties te publiceren. Hierin pleiten de partijen voor een actievere betrokkenheid van de centrale overheid. ‘Dat campussen en scienceparken belangrijk zijn voor innovatie in Nederland staat vast. Qua ‘beleid’ vallen we echter tussen wal en schip. Zowel vanuit Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) als EZK wordt er geen actief ‘toplocaties-beleid’ gevoerd,’ staat in het document.

‘Als we op Europees niveau aan de top willen blijven, is meer Rijksregie nodig’
René Buck, directeur van BCI, deed de afgelopen jaren veel onderzoek naar de rol van campussen in de Nederlandse economie. Hij duidt de beperkte betrokkenheid van het Rijk: ‘Nederland kent een geschiedenis van nationaal ruimtelijk en economisch beleid. Denk bijvoorbeeld aan Pieken in de Delta. Nu is economische en ruimtelijke ontwikkeling gedecentraliseerd. De bal ligt bij de regio’s, maar meer regie vanuit het Rijk is wenselijk.’ Lex Boon, directeur van de Automotive Campus Helmond, sluit zich daarbij aan: ‘We voeren in Nederland geen industriepolitiek meer. Onze buurlanden Frankrijk en Duitsland doen dat wel. Als we op Europees niveau aan de top willen blijven op het gebied van innovatie, is meer Rijksregie nodig.’

Bereikbaarheid

In het manifest Toplocaties doen de campussen een aantal aanbevelingen aan het Rijk. De meest voor de hand liggende is hulp bij financiering. Verder kan het Rijk op het gebied van infrastructurele ontsluiting een grotere rol spelen. Goede bereikbaarheid is één van de belangrijkste vestigingsfactoren voor bedrijven. Zonder goede spoor- of wegverbinding is de kans van slagen voor een campus aanzienlijk kleiner. Deze infra is vaak regio-overstijgend of gaat de pet van de provincie te boven, dus een proactieve Rijksoverheid is hier geboden.

Ook kan het Rijk bijdragen aan meer kennisuitwisseling tussen de Nederlandse campussen. Dan wordt voorkomen dat het innovatie-eilandjes worden. Buck: ‘Op dit moment komen de tien grootste campussen al regelmatig bij elkaar. Maar ook de kleinere en groeiende campussen kunnen van elkaar leren, zodat niet op verschillende campussen het wiel telkens opnieuw hoeft te worden uitgevonden.’ Deze uitwisseling is vooral in het belang van het midden- en kleinbedrijf. Grote (internationale) bedrijven zijn vaak zelf in staat hun weg te vinden.

Sturing op waar campussen worden ontwikkeld, is er niet vanuit het Rijk. Campusdirecteur Boon zou dat wel graag zien. ‘Campusontwikkeling zou niet bij gemeenten moeten liggen, maar bij een hogere overheidslaag. Daarmee voorkom je een wildgroei van campuslocaties, zoals we dat eerder bij reguliere bedrijventerreinen zagen.’ Boon doelt hiermee op het massaal opkopen van landbouwgrond voor bedrijventerreinen, wat voor een versnipperd aanbod van bedrijfslocaties zorgde.

‘Campusontwikkeling zou niet bij gemeenten moeten liggen’

Adviseur Heemskerk ziet wel aanwijzingen dat de aandacht voor campussen vanuit het Rijk toeneemt. Hij noemt de MIRT-studie naar het Utrecht Science Park als voorbeeld. Deze campuslocatie is al jarenlang slecht bereikbaar per auto of openbaar vervoer. Inmiddels heeft een nieuwe tramlijn voor verbetering gezorgd, maar files zijn nog steeds aan de orde van de dag. Doel van het onderzoek, waar twee ministeries betrokken bij zijn, is de bereikbaarheid van het Utrecht Science Park vergroten. Ook wijst hij op onderzoek naar campusontwikkeling in Zuid-Holland dat Twynstra Gudde uitvoert, in opdracht van de Provincie Zuid-Holland, de regionale ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter en het ministerie van EZK.

Gesprek

Het manifest Toplocaties was reden voor Kamerlid Wiersma (VVD) om Kamervragen te stellen aan minister Van Engelshoven van OCW en staatssecretaris Keijzer van EZK. Begin september gaf van Engelshoven schriftelijk antwoord. Zij kan zich niet vinden in de constatering dat het Rijk te weinig oog heeft voor campussen en schrijft: ‘Onze beoordeling is dat het kabinet voldoende aandacht heeft voor campussen en dat nationale instrumenten, direct en indirect, campussen faciliteren.’

Bij dergelijke instrumenten kan men volgens de minister denken aan rijksbijdragen aan kennisinstellingen vanuit OCW en innovatiesubsidies, innovatiekredieten en andere financieringsmiddelen vanuit EZK. Helemaal onontvankelijk voor de oproep vanuit de campussen is de minister echter niet. ‘We gaan graag in gesprek met de opstellers van het manifest,’ schrijft ze in haar brief.

Lees verder

Achtergrond

card image

08-10-2020

De bedrijvige stad: ‘Dit lukt alleen als er ook lef getoond wordt’

Achtergrond

Achtergrond

De bedrijvige stad: ‘Dit lukt alleen als er ook lef getoond wordt’

Wonen, werken, recreëren en verblijven raken meer en meer vervlochten met elkaar. Het versterkt de roep om multifunctionele gebouwen en om wijken waar gewoond én gewerkt wordt. ‘Maar dan moeten overheden en markt elkaar wel beter gaan verstaan’, zegt Nicole Maarsen, directeur vastgoedbeleggingen bij Syntrus Achmea Real Estate & Finance.

Op het BT Event op 29 oktober 2020 gaat Nicole Maarsen dieper in op haar visie op ‘de bedrijvige stad’.

Misverstanden uit de weg ruimen. Daar heeft Maarsen een dagtaak aan, meldt ze gekscherend. Want ja, daar zijn er in het samenspel tussen gemeenten en institutionele beleggers genoeg van. ‘Een hardnekkig misverstand is dat we weinig oog hebben voor de lange termijn, dat we ons niet verantwoordelijk voelen voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals de roep om meer groen en de uitvoering van het Klimaatakkoord.’

Dat laatste wil Maarsen gelijk maar uit de weg ruimen. Zo heeft Syntrus Achmea recent het ESG-beleid (environmental, social & governance) flink aangescherpt: in 2050 is de volledige vastgoedportefeuille klimaatneutraal. Maarsen wijst er verder op dat Syntrus Achmea namens zestig institutionele beleggers, merendeels pensioenfondsen, belegt in vastgoed en hypotheken. ‘Juist omdat het om pensioengeld gaat, geeft dat ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. We moeten zorgvuldig en soms risicomijdend zijn. Met een rendement van 3 procent kunnen wij ook tevreden zijn, zeker als we dat weten te combineren met maatschappelijk rendement.’

Het signaal dat Maarsen ermee wil afgeven: institutionele beleggers zijn niet gefixeerd op hoge winsten, maar geïnteresseerd in een stabiel rendement op de lange termijn. ‘In de vastgoedwereld krijgt iedereen stigma’s opgeplakt, het gaat er soms best opportunistisch aan toe. Om die reden is het nuttig om ook onze afwegingen en onze visie op de markt te delen.’

Mede om die reden deelt Maarsen op het BT Event op 29 oktober graag haar ervaringen over mixed-use vastgoed, in haar ogen een nieuwe beleggingscategorie. ´Voor ons is dit relatief nieuw, maar we zien dat het meer en meer een thema geworden is’, zegt Maarsen. Ze wijst onder meer op de druk die de afgelopen jaren op de stedelijke ruimte is ontstaan. ‘De woningnood – zeg maar gerust een crisis – is al ingewikkeld genoeg, zeker in combinatie met de veranderde vraag vanwege demografische ontwikkelingen als de vergrijzing en steeds meer eenpersoonshuishoudens. Dat alleen al vraagt om verandering van het woningbestand, terwijl ondertussen ook de energietransitie, mobiliteit en de overgang naar een circulaire economie om ruimte vragen. Dat veroorzaakt druk, zeker op de aantrekkelijke locaties in steden. Vanuit die achtergrond is de behoefte ontstaan aan mixed-use vastgoed, waar we meerdere functies in een gebouw combineren.’

Bredere visie

Het vraagt van Syntrus Achmea om een bredere visie op het functioneren van de stad. ‘We zijn als belegger heel erg bezig met die groene, leefbare en inclusieve stad. Vastgoed wordt gebruikt door particulieren of bedrijven. Die gebruikers moeten daar gelukkig zijn, er met plezier wonen of werken. Dat is voor ons het uitgangspunt, juist met het oog op stabiel rendement’, schetst Maarsen.

Functiemenging en -stapeling is gezien de maatschappelijke ontwikkelingen volgens haar dan ook een logische, maar spannende stap. ´Het is de kunst om de behoeften naar specifieke functies op de locaties goed te onderzoeken en te onderbouwen, met het oog op die maatschappelijke meerwaarde.’ Horeca of hotels combineren met werken, dat ligt misschien voor de hand. ‘Wat ik zelf een mooie gedachte vind, is de combinatie tussen appartementen voor senioren en onderwijs of kinderopvang onder één dak. Eenzaamheid onder ouderen is een onderschat maatschappelijk probleem. Uitzicht hebben op een plein met spelende kinderen, daar kijken alleenstaande ouderen graag naar. Kijken is voor hen ook al participeren.’

Voor de totstandkoming van mixed-use vastgoed acht ze het van het grootste belang dat overheden en markt elkaar beter gaan verstaan. Het mengen van stedelijke functies vraagt van beide partijen om nader te elkaar te komen, weet Maarsen. ‘Ik vind dat gemeenten nog vanuit het principe van de maakbare stad denken. Daarmee bedoel ik dat de blik vaak nog te eendimensionaal is. Men is van wonen, of maatschappelijke functies, of zorg … De stad kan zich alleen goed ontwikkelen als ook gemeenten de stedelijke ontwikkeling integraal benaderen. Het zou goed zijn om samen met markpartijen de prioriteiten te kiezen.’

Stringenter

Maarsen vindt bovendien dat binnen dat principe van de maakbare stad de nadruk ligt op de ruimtelijke ordening. ´Bestemmingsplannen worden alleen maar stringenter. Wij kijken er niet meer van op als het 5 tot 7 jaar duurt voordat herontwikkeling van kantoor of retail tot wonen of zorg mogelijk is. Dat zijn geen prettige vooruitzichten.’ De portefeuille van Syntrus Achmea bevat ook nog verouderde kantoorgebouwen uit de jaren zestig en zeventig, die momenteel in binnensteden leegstaan. ´Voor transformatie hebben we welwillende ambtenaren en politici nodig.’

In het mixed-use segment ziet Maarsen de nodige kansen voor wat zij de ‘werkwijk’ noemt. Dit zijn werkruimtes voor lichte bedrijvigheid en creatieve beroepen in een woonwijk. ‘We hebben thuiswerken als gevolg van COVID-19 meer en meer ontdekt, maar willen dat niet de hele week doen. Voor ontmoeting, voor creatieve sessies en voor vergaderen willen we elkaar opzoeken. Wonen, werken en recreëren komen steeds dichter bij elkaar te staan. Want ja, werken willen we combineren met ontspannen. Op den duur vind ik het zeker niet ondenkbaar dat door die ontwikkeling meerdere goed bereikbare stadscentra in één stad ontstaan.’

Gevraagd naar de uitdagingen om functiemenging serieus van de grond te krijgen, noemt Maarsen de businesscase en de risico’s. ‘Wonen en werken op wijkniveau gemengd met levendige stedelijkheid klinkt mooi, het kan een directe bijdrage leveren aan de doelstellingen van meer woningen en meer ruimte voor bedrijvigheid. Maar dat lukt alleen als er lef wordt getoond’, benadrukt ze.

Zij legt uit dat bij herontwikkeling op bedrijventerreinen het verdienvermogen van bijvoorbeeld woningen is in te zetten om verouderde panden in eigendom te krijgen voor transformatie. Op die manier kunnen beide opgaven in elkaar worden geschoven. ‘Maar dat vraagt om duidelijke keuzes, om flexibiliteit en om vertrouwen in elkaar.’ Ook de businesscase is uiteraard een belangrijk onderwerp. ‘Wij zien mixed-use als een nieuwe beleggingscategorie. Met de juiste structuur is het heel goed mogelijk om een goede businesscase op te tuigen. Functies mengen biedt kansen op diversificatievoordelen. Daarnaast zijn dit soort ontwikkelingen kansrijk met het oog op stedelijke kwaliteit op de lange termijn. Daar zijn wij institutionele beleggers ook mee gediend.’ Dat laatste is wat Maarsen voor zich ziet. ‘Alleen met integrale oplossingen kunnen we de huidige problemen het hoofd bieden.’

Over de geïnterviewde

Nicole Maarsen is sinds mei 2017 als directeur beleggingen werkzaam bij Syntrus Achmea Real Estate & Finance, financier, belegger en ontwikkelaar in vastgoed en hypotheken. In totaal beheert Syntrus Achmea in opdracht van ruim zestig pensioenfondsen en andere institutionele beleggers zoals verzekeraars en charitatieve instellingen, vastgoed ter waarde van zo’n 25 miljard euro.

Lees verder

Achtergrond

card image

06-10-2020

‘Een bedrijvige stad moet een flexibele stad zijn’

Achtergrond

Achtergrond

‘Een bedrijvige stad moet een flexibele stad zijn’

Een bedrijvige stad is in de eerste plaats een flexibele stad. Dat is de stelling van Carolien Gehrels, directeur Europese Steden bij Arcadis. ‘De vraag is of we mee kunnen bewegen met de grote maatschappelijke veranderingen die op ons afkomen.’

Carolien Gehrels is spreker bij het BT Event 'De bedrijvige stad' op 29 oktober 2020.

Normaal gesproken ziet Carolien Gehrels veel van de wereld. In dienst van ingenieursbureau Arcadis probeert Gehrels Europese stedenbouwers en bestuurders van elkaar te laten leren. Reizen was part of the job. Maar ja, toen kwam COVID-19. Haar agenda ziet er met minder gereis en veel meer thuiswerken compleet anders uit. ‘Maar met Arcadis en met mij gaat het gelukkig goed, hoor.’

Gehrels spitst zich in haar werk toe op de urbanisatie. Hoe kunnen steden leefbaarder, duurzamer en aantrekkelijker worden? Juist corona is in dat opzicht ook een boeiende tijd. De dichtheid en verbondenheid waar steden altijd voor stonden, heeft tijdelijk plaatsgemaakt voor distantie. ‘Corona leert ons ook anders naar stedelijke structuren te kijken. Naar wonen, naar mobiliteit, naar energie, naar onderwijs en zeker ook naar werken.’

Gehrels legt uit dat ‘we’ in Nederland over compacte steden beschikken: gemengde woon-werkwijken die goed met elkaar verbonden zijn. ‘Geen megasteden, maar een polycentrisch landschap van steden. Op de fiets ben je zo in het groen, voorzieningen zoals cultuur, onderwijs en sport vind je in de stad ook dicht bij huis. Dat maakt onze steden ook geliefd bij gebruikers van de stad.’ Tegelijkertijd constateert zij ook dat de ruimte schaarser wordt, dat er een miljoen woningen bijgebouwd moet worden, dat klimaatadaptatie en het energievraagstuk opgelost moeten worden, dat bereikbaarheid onder druk staat. ‘Allemaal transities die letterlijk en figuurlijk om ruimte in die stedelijke schil vragen. De druk is hoog, absoluut.’

Integrale oplossingen

Wat Gehrels betreft daagt die conclusie uit: willen we die bedrijvige en compacte stad koesteren, dan is het noodzakelijk om daar nu in te investeren en keuzes te maken. ‘De opgaven worden, overal in het land, steeds complexer. Het wordt bij gebiedsontwikkelingen alsmaar belangrijker om integrale oplossingen te bedenken, waar voor gebruikers wonen, recreëren, mobiliteit, onderwijs en werken op een slimme manier samenkomen.’

Economie, bedrijvigheid, werken, ruimte voor ondernemerschap; welke term ook gebruikt wordt, voor Gehrels staat buiten kijf dat die component niet ondergesneeuwd mag raken. Sterker, zij beschouwt het als essentieel onderdeel van ons polycentrische stedenlandschap. ‘We hebben kunnen zien dat in coronatijd de dienstverlening grotendeels stilviel en dat maakindustrie het motorblok van de economie was. Denk aan de mondkapjes, medicijnen, voedsel; ik zie in dat opzicht juist een herwaardering voor makers en industrie. Juist voor behoud van die bedrijvige stad moeten we hen koesteren.’

In die maatschappelijke transities die op gang komen, acht Gehrels ondernemerschap daarom ook onmisbaar. ‘Ketenverkorting, koppelkansen voor energie-uitwisseling tussen bedrijven en consumenten, het mobiliteitsvraagstuk, het verbeteren van sociale structuren: het is allemaal complex, maar ik ben ervan overtuigd dat ondernemerschap ons gaat helpen. Die moeten we dus zeker niet de stad uitjagen. Ik denk juist dat het zinvol is om die creativiteit op te zoeken en te benutten voor die integrale oplossingen.’

De oud-politica erkent dat dat ook een deels andere opstelling van beleidsmakers vraagt. ‘Ik weet uit eigen ervaring dat de nadruk vaak ligt op wat er wel en niet mag qua bestemming van een gebouw, wat de afmetingen van het perceel moeten zijn, welke milieucategorie toegestaan wordt. Ik ben er groot voorstander van om dat meer los te laten.’ Het biedt volgens Gehrels mogelijkheden om in die veranderende stedelijke structuur slimmer om te gaan met ruimte. ‘Een bedrijvige stad moet een flexibele stad zijn, daar vragen de transities die op ons afkomen om.’

Meerdere functies

Als voorbeeld neemt ze een hotel dat kampt met leegstand. ‘De regelgeving zou zo flexibel moeten zijn dat het niet moeilijk is om zo’n gebouw in te zetten voor studentenhuisvesting, al dan niet tijdelijk. Of transformeer het hotel naar een woon-zorgcomplex voor ouderen. Of nog mooier: doe beide. Maar zorg ervoor dat een gebouw meerdere functies kan krijgen. Die flexibiliteit is goed voor de waarde van het vastgoed, maar ook voor het gebruik van de stad.’

Want dat laatste is natuurlijk heel frappant, merkt Gehrels scherp op. ‘De woningnood is ontzettend groot, maar ondertussen zien we in de retail, plekken in binnensteden waar we graag willen wonen, de leegstand oplopen. Sommige panden staan al jaren leeg, maar het lukt vastgoedeigenaren dan niet om die transformatie in gang te zetten. Dat kan niet de bedoeling zijn, zeker niet nu de druk op die ruimte alsmaar groter wordt.’

Die flexibele stad betekent overigens zeker niet te dat er geen visie is, benadrukt Gehrels. ‘Nee, je benadert het anders. Het is een andere visie. Want met het bieden van die flexibiliteit mag - nee moet - je ook kwaliteit verlangen. En dat kan ook. Transformatie moet leiden tot wat beters, ook maatschappelijk gezien. Lichte bedrijvigheid kun je misschien koppelen aan de woningbouwopgave of de energietransitie. De warmte van een datacenter kan de verwarming van de wijk worden. Met zulke ideeën gaan we ook slimmer om met de schaarse ruimte.’ Ze combineert dus opgaven met elkaar . ´Ruimtelijke aspecten koppelen aan maatschappelijke transities, op die scheidslijn liggen veel mogelijkheden. Door op deze manier te denken, kun je ook grotere budgetten inzetten, wat de kwaliteit weer ten goede komt.’

Grachtengordel als bedrijventerrein

In haar visie op de flexibele en bedrijvige stad wijst Gehrels ook op de Amsterdamse grachtengordel. ‘Ik vind dat het mooiste bedrijventerrein ever.’ In de Gouden Eeuw fungeerde de grachtengordel in eerste instantie als stadsuitbreiding van Amsterdam, ook toen was sprake van urbanisatie. Maar de grachtengordel kreeg ook een prominente economische functie. ‘Peper, nootmuskaat, koffie, cacao uit de West en Oost werden hier gelost en vervolgens opgeslagen in de grote pakhuizen en vervolgens weer per binnenschip naar de Hollandse en Brabantse steden vervoerd. Voor de scheepvaart was de grachtengordel van groot economisch belang.’

In de loop van de eeuwen zijn die functies steeds veranderd. ‘Die grachtengordel wordt nu vooral gebruikt voor stedelijke functies als wonen, kantoren, toerisme, horeca en recreatie. Functies veranderen alsmaar, ook nu weer door corona. Het aantal toeristen is geslonken. En wie weet besluiten we dat we die toeristen voortaan niet meer op die schaal willen verwelkomen en gaan we de grachtengordel andere functies geven zoals onderwijs, zorg of werken. Dát bedoel ik met de flexibele stad. Als je ziet hoe die grachtengordel in de loop der eeuwen veranderde, dan kan het ook op andere plekken.’

Carolien Gehrels is op 29 oktober een van de hoofdsprekers van het BT Event op 29 oktober 2020. Daar zal ze onder meer breder uiteenzetten hoe zij aankijkt tegen de flexibele en bedrijvige stad en het belang van integrale gebiedsontwikkeling. Uiteraard illustreert ze dat ook met de eigen werkpraktijk. Ze deelt inspirerende oplossingen uit binnen- en buitenland.

Over de geïnterviewde

Carolien Gehrels (1967) is geboren in Dronten en studeerde Nederlands aan de Universiteit van Groningen. Later deed ze, als adviseur van bureau Berenschot, onderzoek naar de internationale marketing van Amsterdam. Hiermee legde ze de basis voor de latere I Amsterdam-campagne en voor haar carrière als wethouder. Van 2006 tot en met 2014 was ze namens de Partij van de Arbeid wethouder van Amsterdam, met onder meer Economische Zaken in haar portefeuille. Medio 2014 maakte ze vanuit de politiek de stap terug naar het bedrijfsleven. Als directeur Europese Steden bij Arcadis adviseert ze steden over de impact en opgaven die gepaard gaan met urbanisatie.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

1,5 miljoen subsidie voor opknappen en verduurzamen van 6 Noord-Hollandse bedrijventerreinen

Nieuws

Nieuws

1,5 miljoen subsidie voor opknappen en verduurzamen van 6 Noord-Hollandse bedrijventerreinen

De provincie Noord-Holland heeft HIRB-subsidie verleend voor het verbeteren van 6 bedrijventerreinen in Noord-Holland. Het geld wordt gebruikt voor het verbeteren van de bereikbaarheid en de veiligheid en verduurzaming van de locaties. In totaal is € 1,5 miljoen euro verdeeld. 

De provincie Noord-Holland stimuleert al ruim 17 jaar de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen in Noord-Holland. In die periode is de kwaliteit van honderden hectaren verbeterd. Ook de komende drie jaar investeert de provincie opnieuw miljoenen in het opknappen en verduurzamen. Jaarlijks is er € 1,5 miljoen beschikbaar.

Duurzaamheid

Begin 2020 kon subsidie worden aangevraagd voor bijvoorbeeld verbetering van de bereikbaarheid en veiligheid van een terrein, het aanpassen van gevels en groenvoorziening.

Bij het beoordelen van de subsidieaanvragen is vooral gekeken naar de aspecten van duurzaamheid (CO2, energie, klimaat, hergebruik van afval). Het aspect duurzaamheid komt bijvoorbeeld expliciet naar voren bij het project in Zaanstad waar het gebruik van elektrische laadpalen en het plaatsen zonnepanelen op bedrijfspanden wordt gestimuleerd.

De provincie hecht ook veel waarde aan goede onderlinge samenwerking tussen de ondernemers die leidt tot een veilig, mooi, schoon en duurzaam bedrijventerrein.

Overzicht verleende subsidies:

Gemeente Amsterdam

Project: Herinrichting Australiëhavenweg Sloterdijk 3 Amsterdam (368.421 euro)

De subsidie wordt onder andere gebruikt voor een extra aansluiting waardoor de bereikbaarheid beter wordt en de verkeersdruk omlaag gaat. Ook investeert de gemeente in bomen en het verbeteren van de luchtkwaliteit. De herinrichting is een eerste stap in een verbeterslag naar meer verdichting, verduurzaming en verlevendiging van het bedrijventerrein.

Gemeente Haarlemmermeer

Project: Herinrichting wegen bedrijventerreinen De Liede (12.305 euro)

De subsidie wordt onder andere gebruikt voor het uitvoeren van een parkeerplan met belijning (5.500 meter), aanpassing van straatmeubilair en bijbehorende verkeersmaatregelen in de vorm van gebod- en verbodsborden. Deze aanpassingen moeten leiden tot een geordend georganiseerd bedrijventerrein. Door deze aanpassingen wordt bijvoorbeeld de waterwinplaats voor hulpdiensten (politie, brandweer e.d.) beter bereikbaar.

Gemeente Heemskerk

Project: Revitalisering/herprofilering bedrijventerreinen Houtwegen, fase 2B (145.000 euro)

De gemeente Heemskerk wil op het bedrijventerrein een aantal zaken aanpakken: wateroverlast, parkeren, verkeer, verlichting, sociale veiligheid en verbeteren van de uitstraling. Er is veel aandacht voor duurzaamheid. Door LED-verlichting aan te brengen wordt jaarlijks 1.726 KWh minder energie verbruikt. Er komen meer groenvakken waardoor de biodiversiteit zal toenemen en het uiterlijk aanzien van het terrein beter wordt.

Gemeente Hilversum

Project: Geef ze de ruimte! (61.525 euro)

De gemeente wil met het project de veiligheid en leefbaarheid van het bedrijventerrein bevorderen. Zo wordt er meer rekening gehouden met duurzame vrachtvervoertransporten. Er komen speciaal aangewezen en aan te leggen laad- en loszone voor grote vrachtwagencombi’s. Op het terrein wordt geïnvesteerd in de mogelijkheid om voor het elektrisch opladen van evrachtwagens/bedrijfswagens voorbereid.

Gemeente Zaanstad

project: Noorderveld – Molletjesveer fase 3 2020-2022 en Duurzaamheidsfonds (500.000 euro)

Er is subsidie verleend voor verbetering van de wegen en duurzaamheidsmaatregelen zoals een regeling voor plaatsing van zonne-pv-panelen. Ook wordt het gebruik van elektrische laadpalen gestimuleerd.

Havenbedrijf Amsterdam N.V.

project: Duurzame revitalisering Westhaven Zuid 2020 (371.250 euro)

Het Havenbedrijf van Amsterdam investeert in de verbeteren van het haventerrein door het herinrichten en verbeteren van de openbare wegen. Hierdoor wordt de bereikbaarheid beter en wordt het veiliger voor fietsers. Ook wordt het kadeterrein uitgebreid en verbeterd, komen er afmeervoorzieningen en leidinginfrastructuur voor duurzame energievoorziening.

 

Lees verder

Achtergrond

card image

05-10-2020

Bedrijventerreinen moeten flink aan de bak om ‘Paris proof’ te worden

Achtergrond

Achtergrond

Bedrijventerreinen moeten flink aan de bak om ‘Paris proof’ te worden

Bedrijventerreinen kunnen een grotere rol spelen bij de verduurzamingsopgave. Dat blijkt uit analyse van meer dan 3.600 bedrijventerreinen in Nederland door Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies. Slechts 14 procent van de bedrijventerreinen voldoet op dit moment aan de verduurzamingseisen.

De Paris Proof Ranking wordt tijdens het BT Event 'De bedrijvige stad' op 29 oktober 2020 uitgebreid toegelicht.

In het Parijse Klimaatakkoord ligt besloten dat het energieverbruik van de gebouwde omgeving voor 2050 met twee derde omlaag moet ten opzichte van het huidige gemiddelde. Voor 3615 bedrijventerreinen is aan de hand van hun gebruiksfunctie en vloeroppervlak per bedrijfsgebouw of adres een Paris Proof-norm berekend met een index, om te kijken hoe goed zij op weg zijn bij het halen van deze duurzame ambitie. Het onderzoek is op initiatief van Elba-Rec uitgevoerd door Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies, in samenwerking met de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland.

Uit de analyse blijkt dat Nederlandse bedrijventerreinen een verduurzamingsslag hebben gemaakt. In iets meer dan de helft (52 procent) van de gebieden liep het energieverbruik de afgelopen vijf jaar terug. Dit komt door energiebesparing, het vervangen van aardgas door elektriciteit, opwekking van hernieuwbare energie uit windmolens en zonnepanelen of door het verdwijnen van energie-intensieve bedrijfsactiviteiten.

Daar staat tegenover dat het energieverbruik op 39 procent van de terreinen juist opliep, en op 30 procent van de terreinen ligt het verbruik een factor drie hoger dan wat de klimaatdoelstellingen voorschrijven. Hier ligt dus nog een flinke opgave. Slechts 485 bedrijventerreinen (14 procent) voldeden in 2019 al aan de Paris Proof-norm voor 2050.

Economische activiteit is doorslaggevend

Opvallend is dat de geografische spreiding van bedrijventerreinen die het goed doen of juist achterlopen, volledig willekeurig is. ‘Economische activiteit is in grote mate bepalend voor hoe energiezuinig een bedrijventerrein is,’ zegt onderzoeker Gerlof Rienstra. Zo zijn grote distributiecentra relatief energiezuinig. Het vastgoed kan gemakkelijk worden verwarmd, en de grote daken lenen zich goed voor zonnepanelen. Functies als datacentra en zware industrie zijn door hun productieproces juist relatief grote energiegebruikers.

Het is echter waken voor te veel determinisme. Ook bedrijventerreinen die door hun functies veel energie verbruiken, kunnen nog een flinke duurzaamheidsslag maken. In de Parijs Proof normen is onderscheid naar sector of gebruiksfunctie gemaakt.

Monofunctionele bedrijventerreinen komen in Nederland bovendien nauwelijks voor. Veelal vind je er een mix van functies, met verschillende sectoren, kantoren en winkels in één gebied. Rienstra: ‘Als één functie veel energie verbruikt, en een andere juist energie levert, is er ruimte voor slimme samenwerkingen, bijvoorbeeld met een collectieve energievoorziening in een bedrijvennetwerk of een gezamenlijke warmte-koudeopslag. Het is de kunst om de verduurzamingsopgave gezamenlijk op te pakken.’ Bij die aanpak ligt allereerst de verantwoordelijkheid bij de operationele bedrijven zelf, zegt Rienstra, want zij verbruiken de energie. Wel kan ondersteuning vanuit de gemeente helpen, bijvoorbeeld met een duurzaam investeringsfonds. Ook kunnen bedrijven zich verenigen in een bedrijfsinvesteringszone (BIZ), om de samenwerking te formaliseren.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

46 km² aan bedrijventerrein geweken voor nieuwbouw

Nieuws

Nieuws

46 km² aan bedrijventerrein geweken voor nieuwbouw

46 vierkante kilometer aan bedrijventerreinen is de afgelopen jaren uit ons straatbeeld verdwenen. Het grootste deel daarvan heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw. En dat wordt de komende jaren alleen nog maar meer, blijkt uit gegevens die BNR heeft opgevraagd bij de SKBN, Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland.

Eén van de manieren waarop het kabinet het tekort aan woningen probeert op te vangen is door de komende jaren extra woningen te bouwen op plekken waar nu bedrijventerreinen zijn. Volgens Theo Föllings, voorzitter van de SKBN, heeft dat grote gevolgen voor de bedrijvigheid in steden. Het levert op lange termijn verschraling op. De kennis- en creatieve industrie verdwijnt uit steden en voor bedrijven kan het lastiger worden om jong talent aan te trekken.

Luister hier het interview op BNR met Theo Föllings, voorzitter SKBN

Dat er een groot tekort aan woningen is, zal ook Föllings niet ontkennen. 'Ik begrijp dat we extra woningen moeten bijbouwen om het woningtekort tegen te gaan. Ik vind het ook heel logisch dat er wordt gekeken naar bedrijventerreinen, maar we moeten ons daar niet blind op staren.'

Lees verder

KENNISARCHIEF