KENNISARCHIEF 2022

Nieuws

card image

Nieuws

Rotterdam wil meer bedrijven naar de binnenstad

Nieuws

Nieuws

Rotterdam wil meer bedrijven naar de binnenstad

Rotterdam zet in op de komst van meer bedrijven naar het centrum van de stad, nabij de voorzieningen. Maar er liggen nog wel hobbels op de weg naar een bedrijvige binnenstad. Door stijgende woningprijzen wordt de businesscase voor bedrijvigheid lastiger.

Niet elk stadcentrum heeft toeristische allures waar mensen van heinde en verre naartoe komen om een dagje te funshoppen, te flaneren in voetgangers only-zones en te eindigen op overvol terras.

Er zijn ook nog steden waar ‘gewoon’ gewerkt wordt. En het goede nieuws is: werkende mensen genereren ook draagvlak voor voorzieningen. Misschien nog wel meer dan bewoners die in vele centrumherontwikkelingsplannen vaak een sleutelrol krijgen toebedeeld, in tegenstelling tot bedrijven.

Dynamische binnenstad

Daarmee doen steden zowel de economie als hun binnensteden tekort, schreef SKBN-voorzitter Theo Föllings onlangs in Trouw. Bedrijven genereren volgens Föllings een dynamiek die bij de binnenstad hoort. De functie werken en typische binnenstadvoorzieningen als cafés en restaurants, vullen elkaar volgens hem perfect aan.

Bedrijven geven dan ook steeds vaker de voorkeur aan stedelijke omgevingen, waarin ze de voorkeur van hun werknemers volgen. Zo begeleidde Stichting Streetwise uit Parkstad sinds oprichting in 2014 meer dan 500 ondernemingen naar (kern)winkelgebieden. De organisatie ziet steeds meer aanvragen binnenkomen van niet-retailbedrijven, die graag in de binnenstad ondernemen.

Van winkelen naar werken

Ook het Rotterdamse cluster Stadsontwikkeling (SO) wil graag weer bedrijven bewegen richting de binnenstad. Uit een inventarisatie van onderzoeks- en adviesbureau Roots Beleidsadvies, bleek dat een aanzienlijk deel van de ondernemers op bedrijventerreinen met een milieucategorie 4+ (hoge milieucategorie, HMC bedrijven) daar eigenlijk helemaal niet hoeven te zitten op basis van de milieuhinder, vertelt projectmanager ruimtelijke economie Esther Roth aan de telefoon.

Tegelijkertijd streeft de stad naar minder winkelmeters. ‘In onze winkelkoers is aangegeven dat de vrijkomende ruimte getransformeerd moet worden. Maar dat hoeft niet altijd transformatie naar wonen zijn. Soms zelfs liever niet. Maar dan moet je wel kijken voor wat voor bedrijven de vrijkomende ruimte geschikt is.’


Circa 20% van het oppervlak van de 46 stedelijke bedrijfslocaties wordt benut door bedrijven met een hogere milieucategorie (4.1 of hoger). Dat is dus fors minder dan in potentie voor HMC-bedrijven beschikbaar is: ruim 50% van dat oppervlak (figuur 1). Dit betekent dat er mogelijkhedenbestaan voor HMC-optimalisatie, oftewel het beter benutten van HMC-locaties voor/door HMC-bedrijven.

Grond versus economie

1+1 lijkt 2: bedrijven die kostbare ruimte op hoge milieucategorie-terreinen bezet houden, kunnen naar de binnenstad, ooit het brandpunt van economische activiteit. Maar zo eenvoudig ligt dat volgen Roth niet. SO streeft naar een gezonde balans in de binnenstad waar naast ruimte voor wonen en voorzieningen ook ruimte is voor bedrijven, wat betreft Roth zo ver kan gaan als kleine maakindustrie.

Maar de grotere aantrekkelijkheid van Rotterdam als woonstad heeft een prijsopdrijvend effect gehad, waardoor de businesscase voor werken van de directe grondopbrengst gezien niet meer zomaar uit kan. ‘Vanuit de afdeling economie vinden we dat een zorgelijke trend, omdat de binnenstad naast de haven de belangrijkste economische motor is van Rotterdam en bedrijventerreinen onder druk staan.’

Globaal bestemmingsplan

Het is volgens haar ook lastig sturen op economische functies, omdat het bestemmingsplan ‘heel breed’ is opgezet. ‘In de centrum1 bestemming die in het centrum meestal geldt, is in principe alles toegestaan dus als je een winkelpandje hebt dat zijn winkelfunctie verliest, dan kan de eigenaar of koper daar zo woonruimtes van maken. Daar is geen ontheffing van bestemming voor nodig. Dat is voor ons lastig. Een ander punt is de betaalbaarheidscomponent. Als er al bedrijfsruimte wordt toegevoegd, dan zit dat in het hogere prijssegment, voor kantoren, minder voor bedrijfsruimten.’

Ze gelooft dat de binnenstad een geschikte plek zou zijn voor lichte ambachten of een bepaalde vorm van assemblage, naast kantoren die nu ook vaak aan de randen van de stad staan.


Marcel Michon (Buck Consultants International): ‘Zonder economie geen invulling van maatschappelijke opgaven’, het blijft belangrijk om ook aandacht te geven aan werken in de stad.’

Startups, scale-ups

Roth: ‘We willen als gemeente een soort kraamkamer zijn van startups en scale-up die doorgroeien tot internationaal opererende bedrijven. Ook in de binnenstad moet je ruimte aanbieden aan dat soort bedrijven omdat die graag in een binnenstedelijke omgeving zitten vanwege de werknemers. Ze acht het voor het behoud van het dynamische karakter van het stadscentrum van Rotterdam zelfs noodzakelijk dat er wordt gestuurd op de komst van meer bedrijven naar de binnenstad, idealiter geclusterd in het centrum, of in wijkcentra. Want wonen en werken gaat niet altijd even goed samen, aldus Roth.

Interactief seminar: woensdag 6 juli 2022

Tijdens het BT-seminar ‘Bedrijven naar de binnenstad!’ staat de vraag centraal hoe je ruimte borgt voor bedrijven in stads- en wijkcentra, met onder meer Esther Roth (gemeente Rotterdam), Marcel Michon (Buck Consultants International), Leonie Kuepers en Sjaak Vinken (Streetwise, Limburg), Gerlof Rienstra (Rienstra Beleidsontwikkeling en Beleidsadvies), Karel Bolt (Gemeente Zwolle) en Herman Kok (Kern). Tijdens het interactieve seminar, dat wordt geleid door Gert-Joost Peek (lector gebiedsontwikkeling Hogeschool Rotterdam) en Jan Jager (vakblad BT), staat de zoektocht naar praktische oplossingen centraal.

Meld je hier aan


Foto: Dennis Möller on Unsplash

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Gezocht: ruimte voor nieuwe industrie(politiek)

Nieuws

Nieuws

Gezocht: ruimte voor nieuwe industrie(politiek)

Nederland moet onder druk van de geopolitieke spanningen haar schroom jegens de industriepolitiek van de Europese Unie (EU) laten varen. Dat concludeert de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in een recent verschenen advies aan het kabinet. Naast financiële prikkels vraagt nieuwe industrie om ruimte. Ruimte die er nu vaak niet is. Maar allereerst zal duidelijk moeten worden welke rol Nederland voor zichzelf ziet weggelegd binnen een Europees productielandschap. Als producent of innovator.

Nederland moet meer gaan investeren in strategisch belangrijke sectoren zoals kwantumtechnologie, waterstof en halfgeleiderindustrie, stelt de AIV in het rapport ‘Slimme industriepolitiek: een opdracht voor Nederland in de EU’. De adviesraad, die wordt voorgezeten door oud-minister van buitenlandse zaken Bert Koenders, schreef het rapport in opdracht van het Nederlandse kabinet. Dat diende de adviesaanvraag al in mei 2021 in. Het kabinet wilde advies inwinnen over hoe het zich moet positioneren in het debat rond ‘actief en sturend ingrijpen’ van overheden in industriële marktprocessen ter verwezenlijking van publieke doelen zoals vergroening, digitaliseren en strategische weerbaarheid. In Brussel, Parijs en Berlijn is daar steeds meer steun voor. Eerst tot afgrijzen van Nederland, dat een van de steunpilaren is van een liberaal Europa waarin de interne markt gevrijwaard is van concurrentievervalsende interventies. “De gedachte aan een industriebeleid, en zeker een Europees industriebeleid deed bij beleidsmakers in Den Haag tot voor kort de alarmbellen rinkelen”, schrijft de AIV in haar rapport. 

Duitsland en Frankrijk 

Industriebeleid betekent feitelijk het toestaan van overheidssteun. En dat zou ten koste kunnen gaan van Nederlandse handelsbelangen. Daarnaast zou het streven naar ‘Europese kampioenen’ de maakindustrie in kleinere lidstaten in het nauw kunnen drijven wanneer dit in de praktijk vooral Duitse en Franse kampioenen blijken te zijn, zo beschrijft de AIV de Nederlandse gevoelens. Meer recent kwamen daar volgens het adviesorgaan nog zorgen bij over mogelijke wrevel bij internationale partners als de Verenigde Staten, vanwege het streven van de EU naar ‘strategische autonomie’.

Bij de presentatie half februari van de ‘European Chip Act’ door de Europese Commissie, die de Europese halfgeleiderindustrie een boost moet geven, reageerde minister Micky Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat (EZK) nog afwijzend. Europese samenwerking is noodzakelijk, verklaarde Adriaansens, om daaraan toe te voegen dat het kabinet het EU-voorstel mede beoordeelt vanuit het uitgangspunt dat de markt zélf zijn werk kan blijven doen.

Een kabinetsreactie op het AIV-rapport dat op 1 april verscheen, liet nog op zich wachten op het moment dat deze editie van BT naar de drukker ging.

Strategische autonomie 

Door de inval van Rusland in Oekraïne op donderdag 24 februari heeft het begrip strategische autonomie opeens een nieuwe lading gekregen. Waar haperende toeleveringsketens tijdens de coronapandemie al de risico’s van de afhankelijkheden pijnlijk blootlegden, heeft de oorlog in Oekraïne het westen definitief uit de winterslaap gehaald. Ook Nederland is voor de levering van essentiële goederen en diensten afhankelijk van grootmachten die ons veel minder welgezind zijn als in het verleden soms gemakshalve werd aangenomen. Door de afhankelijkheid van Russisch gas is Europa feitelijk speelbal van president Poetin, om het nog maar niet te hebben over medicijnen en computerchips (China) en veiligheid (Verenigde Staten). De roep binnen Europa om een nieuwe industriepolitiek klinkt opeens niet zo gek meer. ‘Helder industriebeleid’ De aanbevelingen van de AIV gaan vooral over de opstelling van het kabinet in het debat over een Europese industriepolitiek. Zo wijst de AIV op de mogelijkheid om naar Frans-Duits voorbeeld werkgroepen op te richten ter identificatie van grensoverschrijdende ecosystemen, of partnerschappen om grensoverschrijdende strategische waardenketens aan te gaan, waarin de Nederlandse industrie en kennisinstituten een sterke schakel vormen. De overkoepelende aanbeveling van de AIV aan het kabinet is om Nederland proactief te positioneren in het EU-industriebeleid, en dat veronderstelt volgens de adviesraad een ‘helder industriebeleid’ op nationaal niveau. “Indien Nederland op dit punt achterblijft ten opzichte van omringende landen (Duitsland, België, Frankrijk en ook het VK), zal het vestigingsklimaat relatief minder aantrekkelijk worden, vooral in technologisch hoogwaardige ecosystemen en sectoren van belang voor de vergroening van de economie, zoals halfgeleiders en waterstof”, schrijft de AIV. 

Incentives en.... fysieke ruimte 

De mogelijkheid om ‘incentives’ te geven is volgens René Buck, oprichter en directeur van adviesbureau Buck Consultants International (BCI), een belangrijke pijler waar een industriepolitiek op leunt. Brussel schort hiervoor de strenge Europese regels op, die staatssteun aan individuele bedrijven verbieden. Een andere ‘cruciale’ factor die Buck noemt is de beschikbaarheid van fysieke ruimte. Buck ziet een stroom aan ‘megaprojecten’ op Europa afkomen. Die omschrijft hij als projecten met een minimale investering van 1 miljard euro, een ruimtebeslag van minimaal 100 hectare en werkgelegenheid voor meer dan 1500 mensen en ‘substantiële multipliereffecten’. Meest in het oog springend zijn de twee megafabrieken die chipproducent Intel gaat bouwen bij Magdeburg. De Duitse overheid neemt een significant deel van de bouwkosten voor haar rekening. Brussel stemt daarmee in. Intel koos voor Magdeburg en niet voor silicon-hub Dresden vanwege de ruimte. Het complex van Intel krijgt de omvang van een kleine stad. Deelstaat Saksen kon de benodigde ruimte niet bieden. Saksen-Alhalt leverde een site van 300 hectare, waar Intel uit de voeten kan.

Shovel ready sites 

“Ruimte is een conditio sine qua non. Ruimte is een knock-out factor in de eerste screening. Je moet in elk geval weten of je ergens überhaupt terecht zou kunnen. Als dat kan, dan gaan ander locatie-eisen een rol spelen”, zegt Buck, die verwacht dat de stroom aan megaprojecten in Europa doorzet. “Ik heb het niet over megadistributiecentra of megadatacentra, maar over hoogtechnologische fabrieken voor elektrische auto’s, batterijen, hernieuwbare energie of de biofarma-industrie die economisch van grote toegevoegde waarde kunnen zijn.” Het zijn ook de sectoren die Europa in meer of mindere mate als ‘strategisch’ aanduidt. Buck: “Ik denk daarom dat het de moeite waard is om te bestuderen of we voor dit soort fabrieken de condities kunnen creëren om ze in Nederland te laten landen.” Die condities zijn volgens hem beschikbaarheid van talent en de genoemde incentives, maar ook zogeheten ‘shovel ready’-locaties waar alle ruimtelijke-ordeningsprocedures al zijn doorlopen en een bedrijf in principe direct kan bouwen. “Als je voor dit soort fabrieken wilt gaan, zul je je ook strategisch moeten opstellen.” 

Concurreren of samenwerken 

Theo Föllings, manager business development van Ontwikkelingsmaatschappij voor Oost Nederland (kortweg Oost NL), onderschrijft de achterliggende doelstellingen van een nieuwe Europese industriepolitiek, maar waarschuwt dat Nederland niet moet verzanden in een concurrentiestrijd met Frankrijk en Duitsland om de grootste fabrieken. “Ik denk dat we in eerste instantie moeten nadenken in hoeverre we met een eigen industriepolitiek kunnen aansluiten bij een Europese industriepolitiek. Welke rol kunnen wij daarbinnen spelen?” Föllings komt met een voorbeeld uit zijn eigen regio. In plaats van concurreren met de regio Münster ondersteunde de provincie Overijssel, Oost NL, het ministerie van Defensie en daarnaast diverse private partijen de poging van de regio Münster om in Duitsland een grote testbatterijfabriek inclusief een R&D-centrum binnen te halen waarmee 750 miljoen euro aan investeringen was gemoeid. “Wij realiseerden ons dat er veel te winnen was voor Münster en Enschede, om juist vanuit een kennisrol aan te sluiten, met de UT (Universiteit Twente, red.), en andere bedrijven en kennispartijen. Er lopen nu gesprekken over onderzoeksprogramma’s waarvoor we ook kans maken op Europese funding, juist vanwege die grensoverschrijdende samenwerking.”

Produceren of innoveren

Daarnaast stelt Föllings dat zodra je een industrie binnenhaalt, deze ook moet kunnen wortelen: een nieuw economische activiteit moet aansluiten bij het DNA van een regio of land, bij daar al aanwezige kennis. Dat ging volgens hem verkeerd bij de vestiging van HP in Noord-Nederland, dat volgens hem alweer snel vertrok naar Polen. Ook Tesla is alweer gestopt met de afbouw van de Model S en -X in Tilburg, nadat de assemblagefabriek tien jaar terug met veel gejuich werd binnengehaald. Maar voor waterstof heeft Nederland (als gasland) volgens Föllings de juiste knowhow om verder te groeien. Grootschalige investeringen in waterstoftechnologie zouden daarom wel goed kunnen landen.

De kern van Föllings’ betoog is dat Nederland zich moet aansluiten bij de Europese agenda en daarbinnen vooral moet doen waar het zelf goed in is. In de strijd rond vierkante meters en financiële prikkels legt Nederland het volgens hem af tegen landen zoals Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en zeker Duitsland, dat met een gerichte industriepolitiek haar status als productiestandplaats probeert hoog te houden.

Bundelen... of spreiden 

Nederland kan zich volgens Föllings beter gaan richten op de ontwikkeling van nieuwe technologieën, bijvoorbeeld fotonica voor de nieuwe generatie chipfabrieken. “Dan heb je een kennisvoorsprong van waaruit je voort kunt snellen, voorbij de grote reuzen.” Daarnaast werpt hij de vraag op of het bundelen van dit soort ‘enorme grootschalige productielocaties’, Europa ook niet enorm kwetsbaar maakt. “Meerdere goed geoutilleerde over Europa gespreide smart productielocaties in dito gespecialiseerde ecosystemen is hierin een adequaat antwoord. En dan komt Nederland weer wel in beeld, waarbij de succesvolle semicon-productielocatie in Nijmegen en het daaraan gekoppelde ecosysteem in Nederland, een prachtig voorbeeld is”, besluit Föllings.

Dit artikel is een publicatie uit het vakblad BT.

Foto: NXP

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

PROVADA-panel ziet virtueel stroomnet op Schiphol Trade Park als antwoord op netcongestie

Nieuws

Nieuws

PROVADA-panel ziet virtueel stroomnet op Schiphol Trade Park als antwoord op netcongestie

Limburg, Brabant en Noord-Holland: de capaciteitskaart van netbeheerders kleurt met een ongekende snelheid rood. Bedrijven die zich nieuw willen vestigen of willen uitbreiden, krijgen steeds vaker te horen dat er geen ruimte is op het elektriciteitsnet. Ook de teruglevering van zonne-energie stokt door capaciteitsproblemen.

Tijdens de sessie ‘Netcongestie opgelost door innovatie’ op de PROVADA vat een bezoeker het probleem samen: “Veel mensen kunnen tot hun pensioen bezig blijven met de oplossing.” Het panel, bestaande uit Arnoud van der Wijk en Olav Steffers (SADC), Jeroen Lotze (Port of Amsterdam), Frans Deeleman (Rijksvastgoedbedrijf) en George Koolman (Royal HaskoningDHV), sluit zich daarbij aan. SADC heeft er niet op gewacht. Het heeft netcongestie op Schiphol Trade Park binnen een jaar kunnen oplossen dooreen virtueel stroomnet op te zetten.

 “Dit was een pressure cooker: we hadden bedrijven op Schiphol Trade Park (STP) die al aan het bouwen waren, maar nog geen oplossing hadden voor hun stroomvraagstuk. Waar de een bijtijds ruimte had gereserveerd op het onderstation, kwam de ander er niet meer tussen”, vertelt Arnoud van der Wijk. De gebiedsontwikkelaar trekt de aandacht met zijn virtuele elektriciteitsnetwerk waarin twaalf bedrijven deelnemen. “Netcongestie bleek vooral op papier een probleem, want ze zetten niet alle twaalf tegelijk hun apparatuur aan. Per bedrijf meten we real time wat de energiebehoefte is en maken we inzichtelijk hoeveel vermogen ongebruikt blijft. Zolang het binnen de marge blijft, hoeven we niet in te grijpen.” De infrastructuur wordt optimaal benut en op piekmomenten springen accu’s met zonne-energie en generatoren bij. Arnoud: “Dat gebeurt heel weinig en past bij de klimaatdoelstellingen.”

Samenwerken als succesformule

Door kosten en machines te delen, kan het stroomverbruik met een factor drie omhoog, zegt Arnoud. Dus naast slimmer en duurzamer, is het virtuele netwerk ook goedkoper. George Koolman vindt STP een goed voorbeeld en raadt andere bedrijventerreinen aan ook te digitaliseren. “Met digital twins kun je sneller scenario’s voor oplossingsrichtingen uitwerken.” Bundel ook je krachten, vult Frans Deeleman aan. Het is volgens hem naast kennisdelen een voorwaarde voor succes. Binnen het warmtecollectief Energie Rijk Den Haag werkt hij aan innovaties voor de verwarming van gebouwen. “In de woningbouw denken we vaak verticaal, maar je moet af en toe ook horizontaal, bij de buren, kijken.” Dat betaalt zich uit. “Niet iedereen profiteert op hetzelfde moment en iedereen heeft een eigen drive, maar iedereen ziet het hogere doel van de samenwerking: een efficiënter warmtenet.”

Vervolg: uitrollen gebiedsaanpak

SADC gaat dankzij de eigen, lokale aanpak van de netcongestie tegen alle trends in: het kan bedrijven die zich rond Schiphol willen vestigen blijven faciliteren. Olav Steffers: “We laten zien dat we privaat én publiek aan een oplossing werken en als Metropoolregio Amsterdam iets te bieden hebben.” Frans Deeleman snijdt een volgend dilemma aan: “Wie pakt de regie?” De provincie wordt geopperd. En de Rijksoverheid. De laatste kan innovaties in het elektriciteitsnet aanjagen via de wet- en regelgeving. Alleen, dat kost tijd en die is er niet. Goed voorbeeld, doet goed volgen, luidt het hands-on-advies vanuit het publiek: “Werk als bedrijfsleven en netbeheerders samen technische standaarden uit die kunnen worden gekopieerd en waarmee kan worden opgeschaald.”

Uitrollen in de haven van Amsterdam

Dat is precies wat Arnoud van der Wijk wil, de formule uitrollen naar andere gebieden en andere vraagstukken zoals mobiliteit en de stikstofproblematiek. “Zodat onze gebiedsaanpak de pilotfase kan ontstijgen.” Jeroen Lotze is al in gesprek met SADC. Hij hoopt in de Amsterdamse haven de bestaande netcapaciteit ook efficiënter te kunnen gaan inzetten. “Bij ons staat het laatste station in het rood en we zien dat sommige partijen daarom voor andere locaties kiezen. Dat is een probleem, zeker nu we in de energietransitie zitten en nieuwe, innovatieve bedrijven willen aantrekken.”

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

PROVADA-panel over Digital Twin Airport Corridor: ‘Nieuw gereedschap dat zorgt voor nieuwe samenwerking’

Nieuws

Nieuws

PROVADA-panel over Digital Twin Airport Corridor: ‘Nieuw gereedschap dat zorgt voor nieuwe samenwerking’

SADC ontwikkelt – samen met onder andere gemeente Amsterdam, gemeente Haarlemmermeer, provincie Noord-Holland en Schiphol Group – een Digital Twin van de Airport Corridor: het gebied van de Amsterdamse Zuidas, via Schiphol tot Hoofddorp. Doel van de Digital Twin is om betere beslissingen te kunnen maken voor het gebied, doordat partners één gedeelde, actuele informatiebasis hebben.

Met de Digital Twin kun je de impact van keuzes integraal simuleren en vervolgens kun je monitoren en leren van de daadwerkelijke gevolgen van beslissingen. En dat is de bedoeling: de Airport Corridor is een economisch belangrijk gebied, maar ook een gebied waar we maatschappelijke doelen – sociaal en duurzaam – nastreven. Met de Digital Twin wil SADC balans brengen in keuzes tussen samenleving, duurzaamheid en economie. Bekijk hieronder de animatie waarin deze Digital Twin verder wordt toegelicht.

De basis staat, maar de Digital Twin is misschien wel nooit af. Op de PROVADA 2022 organiseerde SADC onder leiding van Peter Heida, procesmanager Digital Twin, een paneldiscussie met experts om verder vooruit te kijken: wat is de potentie van Digital Twins in regionale gebiedsontwikkeling?

De stand van zaken

Emile Revier, partner bij PosadMaxwan, is betrokken bij de bouw van deze Digital Twin: “Deze Digital Twin is echt anders dan een GIS-applicatie, en dat zit vooral in de architectuur. We zorgen dat alle data en analyses volledig herleidbaar zijn. De ambitie is om zo een platform te creëren waar steeds meer partijen die in de Airport Corridor actief zijn aan mee kunnen doen.” Bovendien leer je veel door samen diep in de data te duiken, vertelt Emile: “Soms zegt data iets anders dan je verwacht: we vonden bijvoorbeeld veel logistieke bedrijvigheid op de Zuidas – dan ga je filteren op m2 en op aantal werknemers en vind je stadsdistributiebedrijven. Dan vind je dat je sectorale insteek nieuwe economische dynamiek niet helemaal goed vangt.”

Abe Ferwerda, projectmanager bij SADC vult aan: “We zien ook dat dit project verschillende partijen én verschillende ‘bloedgroepen’ bij elkaar brengt. Je hebt dataexperts nodig, je hebt strategen nodig – je hebt visionairs nodig en – zoals Emile dat noemt – een gedegen bibliothecaris die zorgt dat de databank volledig herleidbaar is. Dat laat ook de potentie van een Digital Twin zien: je moet echt over grenzen samenwerken en bouwt iets gezamenlijks op.”

De belofte

Digital Twins dragen een soort belofte van ‘één druk op de knop en je hebt alle antwoorden’ in zich. Ilco Slikker, senior consultant in Digital Twinning bij Royal HaskoningDHV: “Je kunt niet een Digital Twin kopen, je moet ‘m bouwen. Digital Twins worden te vaak gezien als een puur technische innovatie, terwijl het gaat om het doel: welke vraag wil je beantwoorden? Een Digital Twin brengt meerdere technieken – van sensoring tot AI – bij elkaar, maar het gaat uiteindelijk altijd om de strategie.” Emile Revier vult aan: “Vaak stopt een Digital Twin-project na een paar jaar: het geld is op. Je ziet dat partijen een Digital Twin puur vanuit data, puur vanuit een vraag of puur vanuit techniek benaderen. In dit programma proberen we een combinatie te maken: beschikbare data benutten, oefenen met de techniek, maar steeds vanuit de brede ambities voor de Airport Corridor keuzes maken over wat we wel en niet doen.”

Lieke Dreijerink, programmamanager Ideale(n)Monitor bij AMS Institute ziet de meerwaarde ook niet in het ultieme antwoord, maar in de weg ernaar toe. “Een gedeeld dataplatform biedt transparantie: je kunt uitleggen wat je wel en niet weet en waarom je een keuze maakt.” Er loopt een samenwerking tussen de Ideale(n)Monitor en de Digital Twin: “Doel van de Ideale(n)Monitor is om te kijken of we wel de juiste dingen meten, vanuit de idealen die we nastreven in de stad. In de samenwerking met de Digital Twin willen we dat concreet maken: kunnen we voor dit gebied in beeld brengen hoe het staat met de sociale ondergrens– qua energie, inkomen of maatschappelijke betrokkenheid? Als dat lukt, dan weet je veel beter waar je als overheid op in zou moeten spelen.”

Het vervolg

Caren van der Merwe is sustainability consultant bij Rabobank: “2050 lijkt ver weg, maar als wij de verduurzamingsopgave bespreken met klanten dan schrikken ze toch als ze zich beseffen dat binnen 28 jaar het volledige vastgoedportfolio moet worden getransformeerd. Wij focussen vaak op gebouwen, maar de kracht van deze Digital Twin is natuurlijk dat je naar een heel regionaal systeem kijkt. Ik zie enorme kansen – van de wateropgave tot afval en van het reduceren van hittestress tot het samenbrengen van stakeholders in een gebied.”

Abe Ferwerda kijkt vooruit: “We ontwikkelen nu met publieke partijen en kennispartners. Het zou fantastisch zijn als we van de Digital Twin een publiek-private samenwerking maken, waarin partijen data met elkaar durven delen. Inhoudelijk willen we brede waardecreatie gaan simuleren. De mogelijke doortrekking van de Noord/Zuidlijn zou een gamechanger zijn voor de Aiport Corridor: we willen in beeld brengen wat daar de financieel-economische, sociale en duurzaamheidsimpact van is. En er liggen urgente vraagstukken – bijvoorbeeld rond netcongestie – die we met ons digitale platform op een nieuwe manier kunnen benaderen. Maar het is niet alleen een goed-nieuws-show: we moeten scherpe keuzes durven maken: de potentie is enorm, maar we moeten focus aanbrengen en zorgen dat elke extra uitbouw-module meerwaarde biedt voor de ontwikkeling van de Airport Corridor.”

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Tien miljoen euro tegen ondermijning moet ondernemers vooral weerbaarder maken

Nieuws

Nieuws

Tien miljoen euro tegen ondermijning moet ondernemers vooral weerbaarder maken

Minister Yesilgöz van Justitie stelt jaarlijks tien miljoen beschikbaar voor het bestrijden van ondermijning. De politie, het OM, gemeenten, brancheorganisaties en bedrijven, willen het geld vooral besteden om ondernemers weerbaarder te maken.

Het geld wordt uitgekeerd aan de tien regionale Platforms Veilig Ondernemen. In deze PVO's zijn politie, het OM, gemeenten, brancheorganisaties en gemeenten verenigd.  

Ondermijning is momenteel een groot probleem op Nederlandse bedrijventerreinen. Boudewijn Kuijl van de provincie Zuid-Holland zei eerder in vakblad BT dat de meeste ondernemers in zijn provincie weten dat er ondermijnende activiteiten plaatsvinden op hun bedrijventerrein. ‘Maar zij vinden dat het niet aan hen is om het rapporteren. Ook krijg ik te horen dat het vaak gebeurt in bedrijfsverzamelgebouwen, omdat criminelen daar anoniem aan de zijkanten kunnen zitten.’  

Oplossingen tegen ondermijning zijn onder meer een betere organisatiegraad op bedrijventerreinen of een hogere meldbereidheid door ondernemers. De PVO’s zetten vooral in op dat laatste, zegt manager van PVO Noord-Nederland Jan de Vries. ‘Het aanstellen van een vertrouwenspersoon is één van de mogelijkheden die op tafel ligt, maar dat moeten we nog bespreken. Natuurlijk is er wel al het meldpunt Meld Misdaad Anoniem.’ 

‘Het belangrijkste wat we gaan doen, is de weerbaarheid van ondernemers vergroten. Dat doen we door in te zetten op procesbegeleiding, trainingen en informatiebijeenkomsten. Op enkele heel eenvoudige manieren kun je de weerbaarheid al vergroten. Een voorbeeld: als je een huurder een contract laat ondertekenen, moet je erin opnemen dat de verhuurder gevraagd en ongevraagd kan komen binnenstappen. Weigeren ze, dan weet je dat er iets niet helemaal pluis is.’ 

Aboutaleb

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb reageerde bij de NOS al dat hij het ‘goed vindt dat er aandacht is voor ondermijnende criminaliteit’, maar dat het ‘verre van voldoende’ is. De burgemeester ziet graag dat onorthodoxe maatregelen worden genomen. Zoals een 100-procentcontrole op containers met tropisch fruit in de Rotterdamse haven. ‘Investeren we niet meer dan 10 miljoen euro per jaar, dan moeten we accepteren dat de coke over onze voeten heen blijft stromen de komende jaren’, aldus Aboutaleb tegen de NOS.  

PVO-manager De Vries, die zelf ook werkzaam is voor de politie, gelooft daar niet helemaal in. ‘Ik geloof meer in preventie dan in repressie. De straffen in Nederland zijn redelijk kort, als criminelen weer vrijkomen gaan ze vaak weer verder met waar ze waren gebleven. Op landelijke schaal kun je daarom veel meer bereiken door in te zetten op preventie. Alleen moeten ondernemers dan wel zelf ook de verantwoordelijkheid voelen.’ 

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Brabant en Limburg: “Slot op elektriciteitsnetwerk onaanvaardbaar”

Nieuws

Nieuws

Brabant en Limburg: “Slot op elektriciteitsnetwerk onaanvaardbaar”

Netbeheerder TenneT heeft vandaag bekend gemaakt dat het elektriciteitsnetwerk in Noord-Brabant en in Limburg dusdanig vol zit, dat er geen grootverbruikers meer aangesloten kunnen worden. Dit kan onacceptabele gevolgen hebben voor de economie, de energietransitie en vele maatschappelijke opgaven in vrijwel heel Zuid-Nederland.

De Brabantse en Limburgse Energie-gedeputeerden Anne-Marie Spierings en Maarten van Gaans-Gijbels roepen TenneT en het Rijk op om samen met de regio en marktpartijen zo snel mogelijk tot een actieplan te komen voor meer en slimmere capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. De gedeputeerden doen deze oproep mede namens de twee Limburgse en vier Brabantse RES-regio’s.

Gedeputeerde Maarten van Gaans-Gijbels: “De beslissing van de netwerkbeheerder is ongekend en onacceptabel. De gevolgen voor zowel de energietransitie als de rest van de Limburgse samenleving zijn aanzienlijk. Ik roep alle betrokken partijen dan ook op tot het uiterste te gaan en nieuwe wegen te bewandelen om de effecten te voorkomen.” Nieuwe grote aansluitingen voor het afnemen en terugleveren van elektriciteit komen voor onbepaalde tijd in de wachtrij te staan. Gedeputeerde Anne-Marie Spierings: “Juist nu we de afhankelijkheid van (buitenlands) gas willen afbouwen, zit de elektriciteitsinfrastructuur in een groot deel van Nederland aan zijn limiet. Dit is onacceptabel en moet zo snel mogelijk opgelost worden.”

Maatschappelijke gevolgen

De impact van de beslissing van netwerkeigenaar TenneT zal enorm zijn. Duidelijk is dat nieuwe bedrijven zich niet kunnen vestigen in Brabant of Limburg als ze een grootverbruikersaansluiting nodig hebben (3x80A). Maar ook bestaande bedrijven kunnen niet investeren in een uitbereiding van de huidige aansluiting. Hoewel woningbouw vooralsnog niet geraakt lijkt te worden door het capaciteitstekort op het netwerk, kunnen voorzieningen die een grote aansluiting nodig hebben (zoals bijvoorbeeld supermarkten, zwembaden of scholen) niet meer aangesloten worden voor de levering van elektriciteit waardoor een verslechtering van de woonomgeving dreigt.

Gevolgen voor energietransitie

De beslissing van Tennet heeft ook grote gevolgen voor de energietransitie. Zo kunnen bijvoorbeeld centrale aansluitingen in hoogbouw of in wijken die centrale warmtepomp of aansluiting op een warmtenet overwegen, tegen aansluitingsproblemen aanlopen. Bedrijven en organisaties kunnen niet overstappen van fossiele energiebronnen naar stroom. Daar komt bij dat windparken en zonneweiden die wel een vergunning maar nog geen aansluiting hebben, niet aangesloten kunnen worden, laat staan initiatieven die nog aan de vergunningprocedure moeten beginnen. Hiermee komen de RES-opgaven in een groot deel van Zuid-Nederland nagenoeg tot stilstand.

Vraagtekens

De ACM constateerde in maart 2022 dat de investeringsplannen van de netbeheerders de tekorten op de elektriciteitsnetten in de komende tien jaar niet zouden kunnen oplossen. Dat nu, drie maanden later, TenneT deze beslissing al moet nemen voor Zuid-Nederland, heeft de provincies overvallen. De ACM pleit voor een gezamenlijke aanpak met onder meer de minister voor Klimaat en Energie, decentrale overheden, netbeheerders en marktpartijen. De provincie Noord-Brabant en Limburg ondersteunen zo’n aanpak en willen zo snel mogelijk tot een actieplan komen voor meer en slimmere capaciteit op het elektriciteitsnetwerk.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Eindhoven wil na buitenlandse overname meer regie op campussen

Nieuws

Nieuws

Eindhoven wil na buitenlandse overname meer regie op campussen

De gemeente Eindhoven wil meer invloed op de Brainport-campussen. Nadat de gemeente baalde van de buitenlandse overnames van de High Tech Campus en de eerste fase van de Brainport Industries Campus (BIC), wil zij bij BIC 2 zeggenschap behouden. Mogelijk met een erfpachtconstructie.

De Brainport Industries Campus (BIC) is een fabriek in Eidhoven voor de hightech maakindustrie. Een aantal innovatieve bedrijven en onderwijsinstellingen zijn er gevestigd. De eerste fase van de BIC werd in 2019 afgerond, de tweede fase begint binnenkort en moet de campus twee tot drie keer in omvang laten groeien.

Eindhoven bezit een deel van de grond die de ontwikkeling van BIC 2 mogelijk moet maken. Uit een publicatie van de gemeente eind mei blijkt dat de gemeente van plan is om drie percelen in het plangebied voor BIC af te staan voor verkoop of voor een erfpachtconstructie. 

Dat de gemeente voor een erfpachtpositie kiest, lijkt aannemelijk om het publieke belang te beschermen. Dat meldt het Eindhovens Dagblad. Wethouder Stijn Steenbakkers van economische zaken zei tegen de krant dat het belangrijk is om de Eindhovense campussen te beschermen: ‘We moeten niet naïef zijn. We moeten veel bewuster zijn over onze kroonjuwelen. Het gaat om de toekomst van onze stad, de regio en zelfs het land.’

‘Geleerd van de High Tech Campus’

Gregor Heemskerk van TwynstraGudde ziet de mogelijkheden die een erfpachtcontract biedt als ‘een extra stok achter de deur’, naast het bestemmingsplan. ‘De gemeente wil grip op welke bedrijven zich kunnen vestigen op de campus. Ik noem dat het ‘deurbeleid’. De crux is als er leegstand ontstaat: zal de eigenaar zich houden aan het vestigingskader? Gaat de eigenaar voor het langetermijnperspectief, of voor korte termijn cash flow? Als je de grond verkoopt,  kun je als overheid eigenlijk alleen maar nog sturen via het bestemmingsplan. Maar dat is nogal een grof middel. Het is lastig te handhaven.’

‘Ik vind het een verstandige stap van de gemeente. Overigens vergt het wel een adequaat functionerend erfpachtbedrijf bij de gemeente.  Met een erfpachtcontract is er meer toezicht.  In dit contract kan je desgewenst boetes bij overtredingen opnemen. Bij de rechter sta je ook nog eens veel sterker.' '

De gemeente had eigenlijk geen opties voor ingrijpen bij de verkoop van de High Tech Campus, daar was sprake van een historisch gegroeide situatie’, concludeert Heemskerk. ‘Daar hebben ze van geleerd.’

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

€750.000 voor het versterken van het Leiden Bio Science Park

Nieuws

Nieuws

€750.000 voor het versterken van het Leiden Bio Science Park

De provincie stelt €750.000 beschikbaar voor innovatieve projecten op het Leiden Bio Science Park. Hiermee wordt de sterke positie van de campus verder uitgebouwd. Meindert Stolk, gedeputeerde Economie en Innovatie, overhandigde tijdens een innovatietour op de campus een cheque aan PLNT Leiden en Stichting LBSP. Ook Ncardia Services BV heeft subsidie ontvangen vanuit de subsidieregeling Campussen Zuid-Holland. Allemaal zorgen zij voor meer samenwerking tussen innovatieve ondernemers en onderzoekers.

Innovatietour Leiden Bio Science Park

Op het Leiden Bio Science Park zijn innovatieve Life Sciences bedrijven en instellingen gevestigd, die sterk zijn in biotechnologie voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. De provincie en InnovationQuarter organiseerden een innovatietour op de campus. Vertegenwoordigers van de overheden, kennis- en onderzoeksinstellingen en bedrijven kregen een rondleiding en bezochten onder andere de Accelerator Mass Spectrometer (AMS)van TNO. De AMS wordt ingezet om sneller en veiliger geneesmiddelen te ontwikkelen. Ook gingen ze in gesprek over de ontwikkelingen en uitdagingen van de campus en kansen voor meer samenwerking. De innovatietour vond plaats tijdens de Life Science & Health Week, waarin allerlei wetenschappelijke innovaties in de gezondheidszorg worden gepresenteerd. Deze week is georganiseerd in het kader van Leiden City of Science 2022; een wetenschapsfestival van 365 dagen om wetenschap en samenleving te verbinden.

Meindert Stolk: “Innovatie en kennisdeling is nodig voor een toekomstbestendige economie. Met deze tour wil de provincie laten zien hoe innovatief Zuid-Holland is en zo anderen inspireren. Ook versterken we de innovatiekracht door het bij elkaar brengen van de kennis van onderzoekers, innovatieve ideeën van ondernemers en ondersteuning van overheden. Bijvoorbeeld op de campussen in onze provincie. Ik ben blij dat PLNT Leiden, Stichting LBSP en Ncardia Services BV daar met een subsidie uit de campusregeling aan gaan bijdragen.”

Subsidie voor campussen in Zuid-Holland

Campussen nemen een belangrijke positie in als brandpunt voor innovatie en nieuw ondernemerschap. Met de subsidieregeling Campussen Zuid-Holland draagt de provincie bij aan de versterking en doorontwikkeling van campussen. De subsidieregeling is beschikbaar voor de campussen Leiden Bio Science Park, TU Delft Campus en NL Space Campus. Met de subsidie kunnen activiteiten worden bekostigd die helpen bij het realiseren van een onderzoeksinfrastructuur of de bouw, het upgraden en de exploitatie van innovatieclusters op de campussen. In 2021 is in totaal € 2,6 miljoen geïnvesteerd in campusprojecten. Daarbij kregen 3 projecten op het Leiden Bio Science Park subsidie:

LBSP Start-Up Booster

PLNT Leiden heeft €275.000 ontvangen voor de LBSP Start-Up Booster. Hierdoor kunnen startups samenwerken aan de eigen zichtbaarheid, maar ook aan het startup innovatiecluster op het Leiden Bio Science Park. Ze werken aan een oplossing om talent aan te trekken, nieuwe business in de markt te zetten en investeerders te vinden.

Unlock_LiveScience

Stichting LBSP heeft €192.000 ontvangen voor unlock_LiveScience. Unlock_LiveScience wordt de ontmoetingsplek waar iedereen welkom is om mee te doen en te denken met startups in de Life Sciences en Health sector. Hierdoor worden bezoekers van het Leiden Bio Science Park meer betrokken bij onderzoek en andere activiteiten op de campus. Unlock_LiveScience zal worden gehuisvest in museum Naturalis.

Ncardia Services BV

Ncardia Services BV heeft €283.000 ontvangen voor het upgraden en exploiteren van een innovatiecluster om stamceltechnologie toegankelijk te maken voor de industrie. Met dit bedrag wil Ncardia Services BV zich focussen op het opschalen, automatiseren en implementeren van 3D (hart)modellen uit stamcellen. Zo maken ze het proces van medicijnontwikkeling effectiever, betrouwbaarder en efficiënter.

Foto: Studio Hartzema


 

Lees verder

Achtergrond

card image

31-05-2022

Een succesvolle campus in zeven stappen

Achtergrond

Achtergrond

Een succesvolle campus in zeven stappen

Campussen en innovatiedistricten schieten als paddenstoelen uit de grond. Inmiddels telt Nederland zo’n 80 initiatieven, van volwassen campussen tot projecten die zich nog in de ideeën-fase bevinden. Wat maakt een campus tot een succes? Aan de hand van een reis langs vier uiteenlopende gebieden presenteren we zeven lessen.

Gemeenten en regio’s willen met hun campussen niet alleen een boost geven aan de regionale economie. Steeds vaker speelt arbeidsmarktkrapte ook een rol. Een campus moet talent kweken of binden aan de regio. Ook de vastgoedwereld begint zich te interesseren in de waarde die kennis kan geven aan stenen, al is het nog schoorvoetend.

Tijdens de tweedaagse ‘Studiereis innovatieve werklocaties en campussen’ op 11 en 12 mei die BT samen met TwynstraGudde initieerde en organiseerde, leerden 26 deelnemers, veelal werkzaam voor overheden, van de ervaringen op vier bezochte locaties. De vraag die centraal stond is hoe je een campus opzet en wat daarbij komt kijken.

Een eenduidig antwoord op deze vraag is natuurlijk niet te geven. Maar er zijn wel wat generieke lessen te halen uit de vier bezochte locaties, die verder in grote mate van elkaar verschilden: Industriepark Kleefse Waard (IPKW) in Arnhem, Zwolle Incubator (Zwinc), Campus Groningen en Watercampus Leeuwarden.

  1. Een campus fungeert – naast de focus op innovatie - steeds meer als troef voor het aantrekken en binden van talent;
  2. Heb een duidelijke visie en houd hieraan vast, maar heb ook een lange adem. Een campus moet groeien;
  3. De nadruk ligt, afhankelijk van de campus, meer op de community, het netwerk, talent of de faciliteiten;
  4. Een community ontstaat niet vanzelf en moet je proactief onderhouden. Dat vergt een grote investering;
  5. Een campus maakt meer kans van slagen door het hebben van een anchor tennant of user. Dit kan een kennisdrager zijn die bedrijven aantrekt of vice versa.
  6. Als er geen manifeste kennisdrager aanwezig is, kun je hem zelf oprichten, uiteraard mét kennispartners
  7. Belangrijke is ook dat een campus inhoudelijk aansluit op een regionale DNA of ecosysteem.

IPKW: van bedrijventerrein naar campus

De reis startte bij IPKW in Arnhem. Bijna twintig jaar nadat het Amersfoortse familiebedrijf Schipper Bosch een voormalige productielocatie van Akzo Nobel kocht en transformeerde tot campus met een focus op aan duurzame energie gerelateerde bedrijven, zijn belangrijke kennispartijen op IPKW vertegenwoordigd en heeft de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) de weg naar een campus gevonden. In een vervolgstap wil IPKW samen met Connectr een innovatieve hub realiseren voor het verbinden van onderwijs en bedrijven: het Energy Innovation Lab.

Connectr is een samenwerkingsverband van bedrijven, kennisinstellingen en overheden die de regio Arnhem-Nijmegen willen neerzetten als Europese hotspot voor oplossingen in de energietransitie. De energiesector is geworteld in de regio met Kema, Tennet en Alliander. IPKW is de plek waar het allemaal moet samenkomen.


Foto: IPKW

Kennisdrager, binden van talent

Wat bij campusontwikkeling altijd de vraag is, is in hoeverre erin geslaagd wordt om innovatieve bedrijven daadwerkelijk naar de campus te krijgen. Daarvoor is het nodig dat de kennis die op zo’n campus ontwikkeld wordt dermate interessant is, dat daarmee een concurrentievoordeel te behalen is waardoor bedrijven daar graag dicht tegenaan zitten. Een tweede, steeds belangrijk wordende factor is de concurrentie om personeel. Dat is, zeker in de genoemde sectoren, schaars. Bedrijven kiezen daarom steeds meer voor vestiging op bruisende, inspirerende locaties waar mensen graag willen werken.

IPKW lijkt in beide doelen te zijn geslaagd. Na een lange aanloopperiode en het vasthouden van een consistent verhaal waarvan ook in crisistijd niet werd afgeweken, is IPKW een pleisterplaats geworden voor energie-innovatie. Met Connectr in de rol als kennisdrager, wat vaak als voorwaarde wordt gezien om van een echte campus te kunnen spreken. IPKW was een van de stuwende krachten achter de oprichting van Connectr. IPKW-directeur Kevin Rijke zit in het bestuur. Hier is een parallel met de Novio Tech Campus (NTC) in Nijmegen, die tijdens de eerste campusreis (in 2020) werd aangedaan. Deze campus, die aanvankelijk geen eigen kennisdrager had, initieerde samen met de triple helix-partijen een eigen kenniscentrum. In dit CITC (Chip Integration Technology Center) werken een aantal wetenschappelijke instellingen en bedrijven samen.

De campus van IPKW kan zeker beschouwd worden als inspirerende locatie, waarbij het erfgoed ook rol speelt. Een troef voor het aantrekken en binden van talent.

Teleurstelling

Campusdirecteur Rijke had ook teleurstellingen te verwerken. Zo vertelt hij dat hij aanvankelijk dacht dat de onderwijssector stond te springen om op de campus te gaan zitten, maar dat viel tegen. De HAN had een eigen campus en wilde daaromheen bedrijvigheid concentreren. De HAN moest in de praktijk overtuigd worden dat de IPKW een goede locatie is om studenten op te leiden, omdat ze in direct in contact komen met bedrijven. In het nieuwe Mobility Innovation Center komen praktijklokalen van de HAN.

Tot slot is er de campusorganisatie zelf. Die is op IPKW met circa twaalf fte relatief groot. Connectr fungeert feitelijk nog als verlengstuk daarvan. Mede dankzij die campusorganisatie ontstaat er een hecht ecosysteem van in elkaar hakende activiteiten en uitwisseling onderling. Investeren in zo’n relatief grote campusorganisatie is volgens de campus-directeur een keuze, die zich op de lange termijn moet uitbetalen. Het is belangrijk dat de aandacht niet verslapt. Een community moet je onderhouden.

Zwinc: aanjager van het start-up en scaleup ecosysteem

Het mag bijzonder heten dat een hogeschool als Windesheim zo’n grote eigen incubator heeft en het als haar belang en verantwoordelijkheid ziet om startups ruimte te bieden en te begeleiden. Die kunnen niet veel huur betalen en dat betekent dat de hogeschool flink in de buidel tast. Daarnaast leveren ook de gemeente en de provincie als partner een bijdrage aan Zwinc ( (een verbastering van Zwolle en incubator).

Het primaire doel van de campus is het faciliteren en versterken van het startup- en scale-up-ecosysteem in de regio Zwolle. Dat gebeurt met het (door)ontwikkelen, produceren en vermarkten van hun innovatieve producten op het gebied van duurzame kunststoffen en in de maakindustrie. De campus heeft ook een sociale functie. Het biedt een inspirerende werkomgeving voor (afgestudeerde) studenten met ondernemersambities. Die waren voor het uitbroeden van hun plannen anders aangewezen op hun zolderkamer. Bij Zwinc zijn ze onderdeel van een community en kunnen ze gebruik maken van coaching.

Machinepark

Maar het blijft niet beperkt tot een inspirerende werkomgeving en coaching alleen. De kracht van Zwinc zit ook in het collectief. In ruil voor een bescheiden huurbedrag kunnen startups gebruik maken een state-of-the-art machinepark. Windesheim neemt kapitaalintensieve investeringen in bijvoorbeeld nieuwe machines voor haar rekening. Dat kunnen beginnende ondernemers onmogelijk zelf betalen, of ze kunnen er geen lening voor krijgen. Zwinc biedt daarnaast startkapitaal aan voor het financieren van innovaties door ondernemers.

Ook mbo-instelling Deltion is op de campus vertegenwoordigd. Voordeel is dat mbo-studenten praktischer zijn. Ze helpen om de innovaties die door de hbo-startups worden uitgedacht tot uitvoering te brengen.

Van kunststof naar bredere maakindustrie

Zwinc is voortgekomen uit Green PAC iLab, dat vooral gericht was op kunststoftechnologie. In 2019 won Windesheim met Geen Pac iLab een Europese prijs voor ‘meest creatieve en inspirerende’ ondernemersinitiatief. Onder de nieuwe naam Zwinc probeert de campus zich te richten op innovatieve en creatieve maakindustrie.

Partners van Zwinc zijn naast Windesheim ook de gemeente Zwolle en provincie Overijssel. Kennispoort en het Centrum voor Ondernemerschap zorgen voor doorverwijzingen en een kwalitatieve instroom van start-ups. De campus is nog jong. Anders dan bij IPKW was de hogeschool de drijvende kracht achter de campus. De vraag is hoe de campus de komende jaren ook meer bedrijven met investeringskracht om zich heen kan verzamelen en zich tot topinnovatiecentrum en volwaardige campus kan doorontwikkelen. Met Zwinc, Windesheim en Deltion als kennisdragers.

Campus Groningen: bundeling van talent

Het verhaal van Campus Groningen, de snelst groeiende campus van Nederland, gaat vooral over het beter benutten van al het goeds dat je al hebt. Dat was academisch ziekenhuis UMCG aan de rand van het centrum met daarbij behorende onderzoeksfaciliteiten en slimme koppen. En ook kende Groningen één van de grootste universiteits- en hogeschoolcomplexen van het land, Zernike Campus, met eveneens hoogwaardige researchcentra.

De kiem voor een megacampus werd gelegd toen beheerorganisatie Triade de opdracht kreeg het gebied van het UMCG om te vormen tot campus. Doel was het verbinden van ondernemerschap en kennis met vastgoed, faciliteiten en kapitaal, wat het later mocht herhalen op in het Zernike-gebied. Samengevoegd als Campus Groningen bieden de twee locaties plek aan meer dan 230 bedrijven, circa 20.000 werknemers en bijna 50.000 studenten.


Foto: Campus Groningen | 2019 droninger.nl

Integrale gebiedsontwikkeling

Een heldere visie op de toekomst, op community-vorming en op integrale gebiedsontwikkeling en faciliteiten zijn de pijlers waar de campusorganisatie nu op stuurt. Vermeldenswaardig is ook het ‘campus community fonds’: een bundeling van afspraken met circa twintig bestaande fondsen en subsidie en fiscale regelingen die snel kunnen worden ingezet als businesscases kloppen. Ook wordt er flink geïnvesteerd in gedeelde voorzieningen voor de campusgemeenschap, van horeca-faciliteiten tot innovatielabs.

De integrale gebiedsontwikkeling en vooral de ontwikkelrichting worden bewaakt door een gezamenlijk vestigingskader. Dat is nodig, omdat de campus meerdere grondeigenaren kent die in principe over hun eigen acquisitie gaan. Het vestigingskader geeft richting.

In tegenstelling tot IPKW, Zwinc en de Watercampus kiest Campus Groningen niet voor één propositie, maar voor een breed inhoudelijk profiel rond de thema’s healthy ageing, nieuwe energie en sustainable society. Onder dat laatste vallen weer deelthema’s zoals agrifood, digital en chemie.

Innolabs

De aantrekkingskracht van Campus Groningen is groot. Bedrijven willen zich erg graag vestigen. De nadrukt ligt op research-activiteiten en nieuwe productontwikkeling.

Net als op de High Tech Campus Eindhoven stuurt de campusorganisatie op shared facilities. Huisvestings- of uitbreidingsverzoeken worden zoveel mogelijk gebundeld. Zo kreeg de groeiende Groningse vestiging van de Enschedese technologieontwikkelaar Demcom een plek in het nieuwe Innovatiecentrum Chemie en Engineering, waar ook Symeres, CliQ, SwissTech en Ducom worden gehuisvest. Daarnaast biedt het complex ruimte aan twee open innovatielabs. Ook het nieuwe Innovatiecentrum Avebe is niet exclusief bestemd voor Avebe maar ook voor startups in het Innolab Agrifood.

Eén van de belangrijkste redenen dat Demcom op de Campus Groningen gaat zitten, is de toegang tot talent. In Delft en Enschede, waar het bedrijf ook vestigingen heeft, is de markt verzadigd. De bundeling van talent is één van de pijlers waar Campus Groningen op leunt.

Watercampus Leeuwarden: netwerk- en innovatiegedreven

Watercampus Leeuwarden (officieel WaterCampus Leeuwarden) is het brandpunt van de internationale watertechnologiesector. De gemeente en de provincie investeren jaarlijks vier miljoen euro in de campus, dat een totaalbudget heeft voor innovatie en faciliteiten van 20 miljoen. Met de keuze voor watertechnologie maakte de regio rond het jaar 2000 een duidelijke keuze voor een sector die al in de regio verankerd was. De omzet van de watertechnologiesector in Friesland bedraagt circa 510 miljoen euro. Naast de inhoudelijke focus, zit de kracht van de campus in haar netwerk. De campus is de spil van een aantal in elkaar hakende netwerken waar inmiddels zo’n 300 bedrijven en kennisinstellingen in binnen- en buitenland zijn aangesloten.

Indrukwekkend is het getal van ruim 130 promovendi die hun doctorstitel in de Wetsus-onderzoeksfaciliteit op de campus behaalden.


Foto: Watercampus Leeuwarden | 2022 René de Wit voor architectencoöperatie Gear

Wetsus

Wetsus is één van de founding partners van de Watercampus. Het is een kennisinstituut voor toepassingsgericht wetenschappelijk onderzoek op het gebied van watertechnologie, dat is opgezet met behulp van EU- en FES-middelen en dat later is gecofinancierd met compensatiegelden voor het destijds niet doorgaan van Flevolijn. In Wetsus participeren 115 internationale bedrijven en 25 Europese universiteiten.

Andere founding partners van Watercampus zijn het Centre of Expertise Water Technology (CEW), een kennis- en innovatiecentrum voor toegepast onderzoek en productontwikkeling op het gebied van watertechnologie en Water Alliance, een op business development en export gericht samenwerkingsverband tussen de overheid, kennisinstellingen én het bedrijfsleven.

Netwerkgedreven

De fysieke campus bestaat uit drie onderdelen: het Wetsus-gebouw wat feitelijk een universitair onderzoekscentrum is en beperkt kantoorruimte biedt aan partnerorganisaties, een startup-incubator in de naastgelegen Johannes de Doperkerk en het lab van hogeschool Van Hall Larenstein (VHL). Sinds de opstart van de campus in 2003 hebben zich op en in de regio rond de Watercampus meer dan 80 watertechnologiebedrijven gevestigd.

Waar IPKW begon met een gebouwen op zoek naar een nieuwe functie waar uiteindelijke een kenniscluster uit is voortgekomen, leunt de Watercampus op een indrukwekkend watertechnologie-netwerk. Wat beide campussen gemeen hebben is een sterke verbondenheid met het regionale DNA. Dat geldt zeker voor de campus in Leeuwarden.

Door Gregor Heemskerk, partner bij TwynstraGudde, en Jan Jager, programmamanager bij ELBA\REC en redacteur van BT. Dit artikel is een voorpublicatie uit BT, hét blad over werklocaties. 

Lees verder

KENNISARCHIEF