Het kabinet zet vol in op het stimuleren van innovatieve ecosystemen, als onderdeel van een groen en strategisch industriebeleid. De regio vormt hierbij een cruciaal schaalniveau, omdat het aansluit bij veel mechanismen achter innovatieprocessen bij bedrijven. Daarnaast werkt het kabinet aan maatregelen om de arbeidsmarktkrapte tegen te gaan.

Op campussen en andere innovatieve werklocaties komen beide opgaven samen. Het zijn dé plekken waar kennis, kunde en kapitaal elkaar kruisen, met belangrijke spin-off naar de regionale arbeidsmarkt en economie. De aanwezigheid van talent is voor bedrijven een belangrijk motief om zich op een campus te willen vestigen, naast voorzieningen en het ecosysteem.

Het is dan ook niet gek dat bijna elke gemeente of regio in Nederland haar eigen innovatieve werklocatie of campus wil hebben. Dat hoeft écht niet altijd een universitaire campus te zijn. Kennis en ondernemerschap zit immers overal!

Tweedaagse studiereis
Na succesvolle edities in 2020 en 2022, organiseren vakblad BT en TwynstraGudde op woensdag 19 en donderdag 20 april een nieuwe tweedaagse ‘Studiereis innovatieve werklocaties en campussen’.

Kijk hier voor het volledige programma

De reis gaat door Nederland en België en voert langs:

  • Smart Campus Leerpark in Dordrecht, een mbo-campus die bedrijven naar zich toe haalt;
  • Open Manufacturing Campus (OMC) in Turnhout, een uit Philips voortgekomen bedrijvencampus met gedeelde (test)faciliteiten die succesvol is in het aantrekken van innovatieve maakbedrijven; de campus heeft de ambitie de meest productieve vierkante kilometer van België te worden;
  • Het Eindhovense Brainport Industries Campus (BIC), een duurzaam en innovatief werklandschap voor de hightechmaakindustrie. Hier innoveren en produceren bedrijven, overheden en onderwijsinstellingen onder één dak;
  • De Life Science Campus Pivot Park in Oss, die feitelijk uit een reddingsoperatie ontstond nadat medicijnfabrikant MSD zich gedeeltelijk terugtrok en de provincie Noord-Brabant, gemeente Oss en het ministerie van Economische Zaken MSD-onderzoekers in de gelegenheid stelden nieuwe bedrijven te starten in oude MSD-gebouwen. Inmiddels zijn en worden nieuwe gebouwen toegevoegd aan de campus, die onderdeel uitmaakt van een veel grotere lifescience-cluster, om in de vraag naar nieuwe bedrijfsruimte te kunnen voorzien. Provincie en gemeente staan nu voor de keuze om het campusvastgoed wel of niet te verkopen aan een externe investeerder.
     

Tijdens de reis, die onder inhoudelijke leiding staat van campusexpert Gregor Heemskerk (partner TwynstraGudde), onderzoeken we wat de leasons learned zijn van de bovengenoemde innovatiehotspots.

Centrale vraag is: hoe ontwikkel je een campus en wat komt daarbij kijken?
Op de campussen werken triplehelixpartners samen: het draait om kennisuitwisseling tussen bedrijven en onderwijsinstellingen, vaak gefaciliteerd door de overheid. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de campusorganisatie.

Wat doet zo’n campusorganisatie nu precies? En hoe wordt de campusorganisatie gefinancierd?
Aandachtspunt is dat de zeggenschap tussen productie, innovatie en onderwijs in evenwicht moet zijn. Als bedrijven gaan domineren, bestaat het risico dat het kortetermijnbelang gaat prevaleren. Maar als onderzoeks- en onderwijsorganisaties te veel invloed krijgen, dan is het risico dat er te weinig wordt doorgepakt.

Hoe zijn de vier hotspots met die spanning omgegaan?
Het bouwen van een campus vergt een lange adem. Het gaat dus om de kunst om community’s te vormen en te onderhouden, om bedrijven te trekken en om netwerken en ecosystemen te bouwen.

Welke instrumenten kunnen hiervoor worden ingezet? Hebben Dordrecht, Turnhout, Eindhoven en Oss hetzelfde handelingsrepertoire, of handelen zij toch weer net anders?

Kijk hier voor het volledige programma


Facts & Figures

2-daagse campusreis
19 & 20 april 2023
Kosten: € 1450,00 (ex. btw)
Compleet verzorgd inclusief maaltijden, consumpties, overnachting, mogelijke entreegelden, vervoer en reisbegeleiding. Tijdens de busreis wordt teruggeblikt op de inhoud. Deelnemers ontvangen een uitgebreid reisverslag met lessen.
Organisatie: BT en TwynstraGudde
Meer info en aanmelden

Nieuws
Onderzoek: bedrijventerreinen slecht voorbereid op klimaatverandering
Onderzoek: bedrijventerreinen slecht voorbereid op klimaatverandering

70% van de Nederlandse bedrijventerreinen is slecht voorbereid op wateroverlast door klimaatverandering. Ook heeft 5 op de 6 terreinen een duidelijk tekort aan groen. Dat blijkt uit een analyse van Werklandschappen van de Toekomst, waarin voor het eerst alle 3.713 Nederlandse bedrijventerreinen zijn onderzocht op klimaat, gezondheid en biodiversiteit.Bedrijventerreinen zijn cruciaal voor de Nederlandse economie. “Bijna een derde van de Nederlanders werkt er, en ze zijn goed voor zo’n 40% van ons nationaal inkomen,” zegt Daphne Teeling, programmacoördinator van Werklandschappen van de Toekomst. “Als we ons land voorbereiden op klimaatverandering, mogen we de ruim 3.700 bedrijventerreinen dus niet over het hoofd zien.”Veel terreinen kwetsbaar voor wateroverlastUit de nieuwe Werklandschappenscan – gebaseerd op data van NL Greenlabel – blijkt dat 70% van de terreinen veel gebouwen bevat die kwetsbaar zijn bij extreme regenbuien. Wateroverlast kan daar leiden tot schade aan gebouwen en verstoring van vitale infrastructuur.Gemiddeld bestaat bijna de helft (48%) van een bedrijventerrein uit verhard oppervlak zoals tegels of asfalt, wat zowel wateroverlast als hitteproblemen versterkt. Vergroening – zoals bomen, struiken en waterdoorlatende materialen – kan deze risico’s beperken en zorgen voor meer verkoeling en betere wateropvang.Meer bomen en gevarieerde beplanting nodigOp dit moment heeft slechts 1 op de 6 terreinen voldoende bomen. Tussen regio’s bestaan grote verschillen: in Friesland en Drenthe kunnen medewerkers bij 1 op de 5 terreinen minstens drie grote bomen zien; in Zuid-Holland is dat bij nog geen 1 op de 12 het geval. Bomen zijn niet alleen essentieel in het voorkomen van waterschade, zicht op groen draagt ook aantoonbaar bij aan welzijn en productiviteit van werknemers.Voor biodiversiteit is meer variatie in beplanting nodig. Nu bestaat een gemiddeld terrein voor 4% uit struiken en heggen, in plaats van de aanbevolen 15%. “Met een mix van bomen, struiken en kruiden kunnen bedrijventerreinen uitgroeien tot belangrijke ecologische schakels tussen stedelijk groen en het buitengebied,” aldus Teeling.De nieuwe Europese Natuurherstelverordening verplicht lidstaten om vanaf 2030 het stedelijk groen en biodiversiteit meetbaar te vergroten. Teeling: “Bedrijventerreinen kunnen een flinke bijdrage leveren aan deze doelen, juist omdat hier nog veel ruimte is om te vergroenen.”Bedrijventerreinen zetten stappenOp verschillende plekken in Nederland zetten bedrijventerreinen al stappen richting een klimaatbestendiger inrichting. Zo telt het landelijke programma Werklandschappen van de Toekomst inmiddels 150 partnerterreinen.Bedrijven kunnen nu een nulmeting van de Werklandschappenscan op hun eigen terrein laten uitvoeren. In meerdere provincies kunnen bedrijventerreinen bovendien met de Groenstartvoucher tot 15.000 euro subsidie krijgen voor een groen- en waterplan. Op de website groengeeftenergie.nl kunnen bedrijven een aanvraag doen voor het aanplanten van heggen op hun terrein.DownloadsFactsheet met belangrijkste resultaten uit de WerklandschappenscanOverzicht per provincie van de score op de indicatoren (zoals verharding, wateroverlast, hittestress en hoeveelheid groen)

16-03-2026
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Aanmelden nieuwsbrief