Stedelijke bedrijventerreinen staan door woningbouwambities onder druk. Anderzijds wordt waardevolle milieuruimte op bedrijventerreinen vaak nog onderbenut, doordat er bedrijven zitten die best gemixt kunnen worden met andere functies in (centrum)stedelijke zones, wijkcentra of woonomgevingen. Maar dan moet die ruimte er wel zijn. Veel gebouwen worden al met plinten opgeleverd, maar die zijn vaak niet geschikt voor serieuze bedrijvigheid. En wat willen ondernemers eigenlijk?


Tijdens het seminar Ruimte voor werken ín de stad: randvoorwaarden voor functionele mixzones dat vakblad BT en Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN) op dinsdag 4 april organiseren, staat de vraag centraal hoe we aantrekkelijke vestigingsmilieus kunnen creëren voor bedrijfsactiviteiten in gemengde stedelijke omgevingen.

U leert:

  • Inzicht krijgen in de spreiding van economische activiteiten, uitgesplitst naar hindercategorie;
  • Welke activiteiten te mengen zijn met andere functies en zo ja, onder welke (ruimtelijke) randvoorwaarden, ook vanuit het omgevingsrecht bezien;
  • Welke activiteiten elkaar juist aanvullen (in hoeverre biedt mengen van economische activiteiten met andere functies juist ruimte voor synergie, en hoe vertaalt dit zich in nieuwe soorten functionele mixzones?);
  • Wat de hickups zijn waar bedrijven tegenaanlopen, en hoe je die kunt slechten;
  • Hoe je kunt sturen op ruimte voor bedrijfsruimte in de stad, of het nu om (centrum)stedelijke zones, wijkcentra of woonomgevingen gaat;
  • Wat de kansen zijn voor de bedrijfsruimtemarkt in stedelijke mixzones


PROGRAMMA

13.30 uur
Inloop met koffie en thee

14.00 uur
Opening en welkom
Jan Jager, vakblad BT, en Cees-Jan Pen, lector de Ondernemende Regio, Fontys Hogeschool/adviescommissie Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN)

14.05 uur
Analyse
Van bedrijventerrein tot productiewijken: welke economische activiteiten zitten waar?
Gerlof Rienstra, Rienstra beleidsadvies en beleidsonderzoek

14.20
Trends
Nieuwe typologieën voor stedelijke mixzones met werken
Marcel Michon, managing partner Buck Consultants International (BCI)

14.40 uur
Praktijk
Herstructureren, intensiveren... mixen – onderzoek ‘Meer dan de plint’ en vertaling naar praktijk
Sander van Schijndel, investment manager Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU)

15.00 uur
Praktijk
Kansen voor de bedrijfsruimtemarkt in stedelijke mixzones – Verantwoordelijkheden markt en overheid
Sven Bertens, head of research & strategy, JLL The Netherlands

15.20
Praktijk
Van mooie woorden naar harde instrumenten – In gesprek met drie steden over hun inspanningen om ruimte voor werken te borgen: in hoeverre is het afdwingbaar? 
Marc de Ridder, adjunct van de directie & verweefcoach, Stad Gent
Casper van der Feltz, projectleider vastgoed en gebiedsontwikkeling, Gemeente Den Haag
Marc Weel, projectleider Grond & Ontwikkeling, Gemeente Amsterdam


15.40
Wrap up
Werken ín de stad – Randvoorwaarden voor een goed vestigingsklimaat
Cees-Jan Pen

16.00 uur
Borrel

Lees hier het artikel over dit seminar.
 

Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Nieuws
Het werk verdwijnt geruisloos, zo verliest de stad de functies die haar laten draaien
Het werk verdwijnt geruisloos, zo verliest de stad de functies die haar laten draaien

Vierdejaarstudent Geert van de Ven nam een half jaar lang het werken in de stad in het vizier. Hij onderzocht stedelijke werkmilieus; niet om het belang van ruimte voor werk te benadrukken (dat pleidooi is bekend) maar om aandacht te vragen voor het handelingsperspectief van overheid en markt. “Functiemenging zonder regie mondt uiteindelijk vaak uit in functieverlies.”Nederland weet inmiddels uitstekend hoe functiemenging eruitziet op papier. We kennen de discussies, de studies, de analyses, de beleidsnotities. En toch verdwijnt werk gewoon uit de stad, sluipenderwijs en geruisloos. Niet omdat het overbodig is geworden, maar omdat het in de praktijk structureel het onderspit delft. Tegen duurbetaald wonen. Tegen hoogwaardig kantoorwerk. Tegen alles wat meer oplevert op de korte termijn. Zolang werk niet expliciet wordt beschermd, georganiseerd en vertegenwoordigd, verliest het terrein.Meer vraag naar ruimteDat is opmerkelijk, want de cijfers liegen er niet om. Nederland telt ruim 3.800 bedrijventerreinen. Samen beslaan die circa 81.000 hectare, slechts 2,5 procent van het totale landoppervlak van ons land. Op die beperkte ruimte werkt ongeveer 30 procent van de werkzame beroepsbevolking, wordt circa 40 procent van het bruto binnenlands product verdiend en vindt ongeveer 60 procent van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling plaats. Tegelijkertijd groeit de vraag naar bedrijfsruimte richting 2030 met 6 tot 13,5 procent, wat neerkomt op een aanvullende ruimtebehoefte van circa 7.000 hectare. De druk op de ruimte voor werk is daarmee geen theoretisch probleem. Het is een structurele opgave die alleen maar zwaarder wordt.Lees het hele artikel op Gebiedsontwikkeling.nu

28-05-2026
Aanmelden nieuwsbrief