MEDIA

Nieuws

card image

Nieuws

Circulaire activiteiten op bedrijventerreinen vragen 870 hectare extra ruimte in 2030

Nieuws

Nieuws

Circulaire activiteiten op bedrijventerreinen vragen 870 hectare extra ruimte in 2030

Circulaire activiteiten hebben in 2030 870 hectare extra ruimte op bedrijventerreinen nodig. Dat blijkt uit onderzoek van SKBN in samenwerking met Rienstra Beleidsadvies en Beleidsonderzoek. 

Het onderzoek focust zich vooral op de deelsectoren recycling en reparatie, omdat die als kernactiviteiten van circulaire economie kunnen worden beschouwd en goed zijn af te bakenen. De verwachting is dat recycling en reparatie als deelsectoren van de circulaire economie de meeste ruimte zullen opeisen in de komende jaren.  

Verder verwacht Gerlof Rienstra van Rienstra Beleidsadvies en Beleidsonderzoek dat groei in andere sectoren zich niet vertaalt in een evenredige groei van de ruimtebehoefte. Onderzoeksinstituut CE Delft gaf eerder aan dat het delen en het verlengen van de levensduur van goederen in potentie leiden tot afname van het ruimtegebruik voor productiefaciliteiten en logistieke activiteiten. 

Om tot de 870 hectare extra ruimte komen, paste Rienstra zijn classificatie toe op de provincie met het grootste aantal en verscheidenheid aan bedrijventerreinen, Noord-Brabant. De uitkomsten extrapoleerde hij vervolgens naar de landelijke situatie en ontwikkeling. 

“Het gaat in dit geval om een groot aantal industriële bedrijven met reparatie en onderhoud als hoofdactiviteit, afvalbehandeling en recycling, alsmede sloop in de bouw en autogarages. Het zijn activiteiten die allemaal een hoge milieucategorie kennen van minimaal 3 en daarmee op een bedrijventerrein thuishoren. In deze sectoren telt Noord-Brabant ruim 5.000 vestigingen, waarvan er meer dan 2.100 op een bedrijventerrein zijn gevestigd. De vestigingen op in totaal 598 bedrijventerreinen hebben een gemiddelde vloeroppervlakte per werkzame persoon van 344 m² in bedrijfsgebouwen”, aldus Rienstra.  

Daarmee is de ruimtebehoefte voor circulaire activiteiten nog niet gedekt. Ook buiten bedrijfsgebouwen is er volgens Rienstra ruimte nodig voor opslag en verwerking. Zo komt de economisch geograaf uiteindelijk tot een gemiddelde vloeroppervlakte van 819 m² per persoon.  

Milieuruimte en ontsluiting 

Om te kunnen voldoen aan de toenemende ruimtevraag voor circulaire activiteiten in de komende jaren is het belangrijk dat er genoeg bedrijventerreinen zijn met een grote milieuruimte en een goede ontsluiting, omdat circulaire activiteiten vanwege hun milieubelasting doorgaans aangewezen worden op afgebakende bedrijventerreinen.  

“Wellicht kunnen incourante kantoorgebouwen op HMC3+-terreinen langs snelwegen, niet aantrekkelijk voor omzetting naar wonen, worden getransformeerd naar circulaire-economielocaties. Bereikbaarheid over de weg en voldoende milieuruimte zijn dan in ieder geval gegarandeerd”, eindigt Rienstra. 

Lees verder

Achtergrond

card image

12-07-2022

Region Stuttgart in zeven lessen

Achtergrond

12-07-2022

Region Stuttgart in zeven lessen

Van dinsdag tot en met donderdag 21 tot en met 23 juni 2022 bezocht een groep van 32 SKBN’ers de metropoolregio Stuttgart. Lelijk volgens de een, interessant volgens de ander. Vaststaat is dat Stuttgart een dynamische stad en regio is, die de wereld naast de automobiel veelander technisch vernuft schonk met bedrijven als Mercedes-Benz, Porsche en Robert Bosch. Het is de vraag of de Stuttgart Regio de rol van voorloper weet te prolongeren in een snel veranderende tijd waarin de verbrandingsmotor in de ban wordt gedaan. Er staat véél op het spel.

De Duitse industrie is aan vernieuwing toe. De verbrandingsmotor voor personenvoertuigen wordt in de ban gedaan, al bedong de Duitse overheid nog uitstel van executie. Als het klad definitief in de Duitse auto-industrie komt, dan trekt het een schare van toeleverende industrieën met zich mee het slop in. Ofschoon de beleidmakers nu nog rekening houden met een vervangingsopgave van 200.000 mensen met dezelfde competenties als van de babyboomgeneratie die de komende vijftien jaar de fabrieken gaat verlaten, wordt er ook rekening gehouden met een toekomstscenario waarin er voor hooggekwalificeerde productietechnologen geen werk meer is. Om de status als productiestandplaats te behouden, zet de Duitse overheid al enige jaren stevig in op een industriepolitiek. Die industriepolitiek heeft de afgelopen twee jaar extra dimensie gekregen. Haperende toeleveringsketens (en ontbrekende voorraden) tijdens de coronapandemie, resulteerden in voornemens om productie van vitale onderdelen terug te halen naar Duitsland. De oorlog in Oekraïne legde pijnlijk bloot hoe afhankelijk Duitsland zich heeft gemaakt van vreemde mogendheden waar je liever niet afhankelijk van wilt zijn. Het stopzetten van gasleveranties uit Rusland kan hele industrieën, en daarmee de Duitse economie, in de diepte stortten.

Ruimte als knelpunt

Dat laatste ligt buiten de macht van het Verband Region Stuttgart (VRS), dat sinds de oprichting in 2004 een belangrijke coördinerende rol in het ruimtelijk-economisch beleid vervult in de economische regio waarvan Stuttgart het middelpunt is. Groot knelpunt voor verdere economische ontwikkeling en -diversificatie is een gebrek aan ruimte. En als er al ruimte is, dan voelen de circa 150 gemeenten die onderdeel uitmaken van de metropoolregio zich weinig geroepen om ruimte voor nieuwe industrie beschikbaar te stellen, omdat de inwoners het niet willen. Zij willen eigenlijk niets, vertelt Thomas Kiwitt, directeur regionale planning van VRS. “Veel mensen zitten in een soort vakantie-modus. Zij wonen in een dorp waar zij niet werken, niet winkelen. Ze zitten met een glas Weissbier in de tuin. Als je een enquête organiseert, dan scoren weginfrastructuur, openbaar vervoer, luchtkwaliteit en de woningmarkt altijd hoog. Maar we hebben geen politieke meerderheid voor méér wegen, méér openbaar vervoer, en méér huizen.”

Kortom: bewoners profiteren van economische zekerheid die de metropool inwoners heeft gegeven, maar houden de stad graag buiten de deur. Daarnaast bestaat ook in de regio Stuttgart een enorme spanning tussen twee ruimteclaims vanuit wonen en werken, waarbij werken vaak het onderspit delft.

Gemeenten zijn van oudsher sterk en eigenwijs, vertelt Kiwitt, met de burgemeester als aanvoerder. Enkele gemeenten tellen minder dan 10.000 inwoners, maar hebben wel dezelfde bevoegdheden van een grote stad als Stuttgart. De R&D-afdeling van Porsche zit in een dorp met 3500 inwoners. Van het gekozen bestuur aldaar wordt verwacht dat het zaken doet met een concern dat gewend is op een wereldtoneel te spelen. De gemeente mag de vergunningverlenende instantie zijn, gelukkig speelt de VRS een stevige coördinerende rol. Dat doet VRS met een direct democratisch mandaat. Samen met twee andere regionaalverbanden (Hanover en Ruhr) heeft VRS namelijk een direct gekozen assemblee. Volgens Kiwitt is dat een pré, omdat de zaken waar VRS over gaat, expliciet politiek zijn.

Bestemmingswijziging

Het belangrijkste instrument van VRS is het regionale plan. Daarin staan volgens Kiwitt richtlijnen met een juridisch bindende status, waarover niet zelden de degens gekruist worden met gemeenten in de rechtszaal. Zo mogen individuele gemeenten niet zonder instemming van VRS de bestemming van een stuk land wijzigen. Anderzijds heeft VRS niet de bevoegdheid om bestemmingen op te leggen.

Te veel opleggen is ook helemaal niet de intentie van VRS, bezweert Kiwitt, die meer mikt op de kunst van de verleiding: het genereren van draagvlak voor nieuwe ontwikkeling. Dat is best lastig, want traditioneel gezien bestaat de gereedschapskist van de planningautoriteit vooral uit instrumenten om ontwikkeling tegen te houden. “We hebben sterke remmen maar beperkte middelen om dingen mogelijk te maken.” Daarom worden regionale overheden die het regionale plan volgen, beloond met speciale regelingen. De uitvoering hiervan ligt bij de Wirtschaftsförderung Region Stuttgart, de regionale ontwikkelingsmaatschappij die gehuisvest is in het gebouw naast VRS. De vraag is of dat voldoende is, omdat inwoners van Stuttgart Regio nogal verwend zijn, en niet zo van verandering houden. Dat wordt dus nog een hele uitdaging en daarin blijkt maar weer dat Duitsland bar weinig van Nederland verschilt.

Op de vraag hoe de relatie is tussen Stadt Stuttgart en het regionaalverband antwoordde Kiwitt dat dit prima is. Of te controleren of dit echt zo is, zouden we ook Stads Stuttgart moeten vragen. Volgens Kiwitt kan het regiobestuur hete aardappels voor de Stuttgart uit het vuur halen, waar de Stuttgart dankbaar gebruik van maakt. Immers, een kleine gemeente is eerder geneigd te luisteren naar de regio, dan naar de ‘grootstad’. 

Megasites

Bovengenoemde Wirtschafsfördering is de Duitse equivalent van de regionale ontwikkelingsmaatschappij, behalve dat de staat Baden-Württemberg geen aandeelhouder is, maar lokale gemeenten. Volgens Stephanie Fleischmann, hoofd strategie en internationale relaties, heeft de Stuttgart regio geen kavels meer beschikbaar van vijftien hectare of groter. Dan legt de regio het af te tegen een stad als Magdeburg die onderdak gaat bieden aan twee nieuwe megafabrieken van Intel, waarvoor deelstaat Saksen-Anhalt een site van 300 hectare beschikbaar stelde. De vraag is of Stuttgart regio nieuwe megaprojecten (projecten met een minimale investering van 1 miljard euro, een ruimtebeslag van minimaal 100 hectare en werkgelegenheid voor meer dan 1500 mensen en ‘substantiële multipliereffecten’, aldus René Buck in de vorige editie van BT) nodig heeft. “Dat is de discussie nu. Ze passen niet eens in Baden-Württemberg. Het issue is: als het slecht gaat met de reguliere economie en met de autofabrieken, dan kun je achteraf tot de conclusie komen ‘stom dat we het niet hebben gedaan’.”

Fleischmann benadrukt dat de regio een enorme voorraad arbeidskrachten telt met enorm goede ‘productievaardigheden’, ook jongeren, waardoor de blik ook naar de toekomst toe gericht moet zijn op productie. “Maar productie heeft logistiek nodig en daar hebben gemeenten geen ruimte voor, omdat ze zeggen dat logistiek niet veel banen oplevert”, vervolgt Fleischmann.

Waar ook ruimte voor nodig is zijn voorraden, om zo minder kwetsbaar te worden voor haperende aanvoerketens, voegt Thomas Bittner toe.

Campussen

Bittner, projetmanager foreign Trade and Services bij de Industrie- en Handelskammer, doet er nog een schepje bovenop. Hij verzekert dat de productie ‘dramatisch’ zal terugvallen. “Mercedes wil enkel nog focussen op luxeauto’s.” Innovatie biedt een mogelijke ontspanningsroute uit de onvermijdelijke neergang. Zo weet Bittner te vetellen dat Daimler een nieuwe brandstofcelfabriek wil bouwen, net buiten Stuttgart, met belangrijke spin-off-effecten. Het goede nieuws is: de lokale gemeenschap gaf haar fiat aan de benodigde ‘special zoning area’.

Er zijn nog grote uitdagingen. Ook voor innovatie is menskracht nodig. En dat is op het moment, naast ruimte, de grootste knellende factor. Een manier om mensen te trekken is het creëren van goede en inspirerende startup-omgevingen, die een nieuwe generatie aantrekt of bindt. Maar op de geboortegrond van de automobiel lijkt de infrastructuur voor startups nog niet heel erg goed ontwikkeld, erkent ook Fleischman. Ze is recentelijk in de Brainport regio geweest en heeft zich laten inspireren door de grote variëteit aan campussen en innovatieve werklocaties in Eindhoven en omgeving. Hier is nog een wereld te winnen. Inmiddels zijn er projecten in de maak zoals de AI xpress, een startup-accellerator in Böblingen waar de Wirschafsförderung bij betrokken is. Vanwege de lange treinreis van 45 minuten en afwezigheid van een sleutelfiguur is van een aangeboden bezoek afgezien. En andere innovatieve werkomgeving is Arena2036 en de regio investeert ook fors in de waterstofeconomie.

Machines

Arena 2036 staat voor ‘Active Research Environment for the Next Generation of Automobiles’. En dat is precies wat het is, konden deelnemers tijdens een bezoek op de tweede dag met eigen ogen zien. Aangesloten bedrijven (zo ongeveer alles wat er toe doet in Stuttgart) kunnen in de productiehal nabij de universiteitscampus dingen uitproberen. De Arena2036-organisatie zorgt voor de coördinatie. Daarnaast biedt Arena2036 onderdak aan een incubatorprogramma ‘Startup Autobahn’. Organisatie is uitbesteed aan Plug and Play, een accellerator programma-organisator uit Silicon Valley. Arena 2036 kon rekenen op belangrijke overheidssubsidie. De overheid bekostigde niet alleen de bouw van de productiehal, dure machines, maar ook een deel van de exploitatie. Het is wel de bedoeling dat de kosten geleidelijk aan volledig worden gecoverd door de leden. Wat betreft de innovaties zelf: die behoren in eerste instantie toe aan de startups en bedrijven zelf. Maar open innovatie is de norm.

Arena 2036 laat zien dat innovatie niet op afroep beschikbaar is maar een lange adem vergt en bijbehorende (publieke) investeringen. Belangrijkste misschien nog wel is dat de industrie zelf nadrukkelijk betrokken is en toepasbaarheid van innovaties voorop staat. Daarbij wordt in Arena 2036 letterlijk voortgebouwd op het economisch DNA dat de regio sinds 1886 heeft (toen Karl Benz de automobiel zou hebben uitgevonden, om een jaar later in productie te worden gebracht). 150 jaar later moet daar een nieuwe industrie uit voorkomen met Arena 2036 als katalysator.

AI-scan

Twee ontmoetingen in de middag stonden eveneens in het teken van innovatie, allereest de ontwikkeling van artificiële intelligentie op het KI-fortschitszentrum aan het Frauenhofer Institute en afsluitend de ontwikkeling van waterstoftechnologie bij het Zentrum für Sonneenergie- und Wasserstoff-Forschung Baden-Württemberg (ZSW). Interessant ook om te horen is dat de staat van Baden-Württemberg via het KI-fortschitszentrum (de staat is ook de belangrijkste financier) álle ondernemingen in de staat een AI-scan aanbiedt om te kijken in hoeverre AI bedrijfs- en productieprocessen kan optimaliseren. Geen gek idee in een tijd van personeelsschaarste waarom productiviteitsgroei steeds belangrijker zal worden om te overleven.

Meest voorname les uit de ontmoeting met Dr. Marc-Simon Löffler, hoofd van het departement van hernieuwbare energie van ZSW, was dat de regio in staat is boven de energietransitie te hangen en op zoek te gaan naar wat Duitsland écht kan bijdragen. Zo constateert Löffler dat het niet aannemelijk is dat Duitsland zelf een grote producent van (groene) waterstof wordt. De zonnekracht en beschikbare ruimte zijn te beperkt. Daarom wordt nu alles op alles gezet om nieuwe electrolyzers te produceren met het hoogste rendement, voor de export, naar bijvoorbeeld Australië. Dat heb je het dus feitelijk over een nieuwe maakindustrie, aansluitend bij het economische DNA.

Urbanes Gebiet

Een bezoek aan de productiefaciliteit van Wittenstein in Fellbach op de derde dag completeerde de reis. Het bezoek startte met een rondleiding door een bedrijvengebied waar de huizen nooit ver van verwijderd zijn. Het is één van de proeflocaties van de IBA2027 dat de ‘productieve stad’ als een van de thema’s hanteert. IBA-projectleider en architect Grazyna Adamczyk-Arns introduceerde een nieuw soort planningsconcept dat in dit kader zeer relevant is: het Urbanes Gebiet. Urbanes Gebiet is sinds 2017 in het Duitse bouwrecht een gebied dat waar zowel gewoond mag worden alsook commerciële ondernemingen en sociale, culturele en ander voorzieningen geplaatst mogen worden die de woonomgeving niet significant verstoren. In tegenstelling tot in het Mischgebiet (gemengd gebied) hoeft het gemengde gebruik niet in evenwicht te zijn (meer informatie:  https://de.wikipedia.org/wiki/Urbanes_Gebiet)

Het thema productieve stad is uit nood geboren. De stad heeft productie nodig om economisch te kunnen voorbestaan en de industrie heeft de stad nodig voor het aantrekken en behouden van personeel. Het uit elkaar trekken van die functies is al lang niet meer het ideaal.

Aantrekkelijk blijven voor personeel was één van de motieven van Wittenstein, een producent van aandrijfsystemen, om een nieuwe faciliteit in een stedelijke omgeving, dicht bij een S-bahn station, neer te zetten. Het vergde wel de nodige investeringen in geluidsbeperking en faciliteiten om vrachtwagens binnen te kunnen lossen. Maar de investering betaalt zich uit. Wittenstein heeft de mogelijkheid om uit te breiden op de locatie. Maar dan is een aantrekkelijke locatie niet meer voldoende om aan personeel te komen, omdat er domweg niet voldoende personeel is. Daarom mikt fabrieksdirecteur Christoph Herz op verregaande productiviteitsgroei door automatisering waardoor in de nieuwe plant 30 procent minder personeel nodig is.

Region Stuttgart in zeven lessen

1. Meer bestuurlijke coherentie zorgt voor meer economische slagkracht!

De regio is bestuurlijk zwaar versnipperd maar compenseert dit met een sterk regiobestuur met een gekozen assemblee;

2. Borg ruimte voor werken regionaal af!

Lokale overheden kunnen niet zomaar en bestemmingsverandering doorvoeren zonder fiat van het regiobestuur. Daarmee kan kostbare ruimte voor werken worden geborgd;

3. Stick to your DNA!

Het DNA van Stuttgart zit ‘m in de ‘productievaardigheden’ van de mensen in de regio. Het is in dat opzicht geen gekke gedachte dat de regio ervoor kiest te investeren in de productie van elektrolyzers voor de exportmarkt, en niet zozeer waterstof zelf.

4. Industriepolitiek vergt een lange adem!

Ondertussen investeert Stuttgart ook sterk in innovatie, als onderdeel van een bredere landelijke industriepolitiek. Wat opvalt is dat er strategisch gekozen wordt, samen met het bedrijfsleven, en er een lange adem is. Ook aardig om te zien hoe de staat AI-scans aanbiedt aan bedrijven. Met het oog op productiviteitsgroei geen gek idee.

5. Huisvesting is geen bedreiging, maar een kans op personeel te binden!

In Fellbach is te zien hoe Wittenstein woongebieden niet uit te weg gaan, maar expliciet kiest voor een stedelijke omgeving om aantrekkelijk te blijven voor personeel.

6. Innovatieve werkomgevingen zijn goud waard. Maar zorg wel voor output!

Stuttgart is goed in produceren en repeteren. Innoveren en improviseren is iets waar de Duitsers minder goed in zijn. En dat moeten ze misschien wel doen om geen Detroit te worden. De benodigde infrastructuur van campussen en innovatieve werklocaties lijkt nog onderontwikkeld. Anderzijds is in Arena2036 te zien dat innovaties ook direct toepasbaar zijn. In die zin zijn de Duitsers ook wel weer aanstekelijk no-nonsense.  

7. Laat het regiobestuur het vuile werk opknappen!

Tot slot kunnen we uit Stuttgart leren dat er een alternatief is voor regionale samenwerking: regionale coördinatie door een sterk regiobestuur dat beslissingen neemt dit een kleine gemeenten niet durft te nemen: bijvoorbeeld het behouden van ruimte voor werk.

 

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Voorkomt de smart energy hub een dreigend stroominfarct?

Nieuws

Nieuws

Voorkomt de smart energy hub een dreigend stroominfarct?

Steeds meer bedrijven die hun energievoorziening verduurzamen lopen tegen de capaciteitsproblemen van het stroomnet aan. In verschillende gebieden is zelfs geen aansluiting meer mogelijk voor nieuwkomers of uitbreidingen. Zijn decentrale smart energy hubs de oplossing voor het stroomprobleem?

Jarenlang voerde SKBN een moeizame lobby om de verduurzaming van bedrijventerreinen en de energietransitie aldaar op de agenda te krijgen van bestuurlijk en ondernemend Nederland. Van alle groene stroom die we in 2030 willen opwekken, kan 14 procent worden behaald door bedrijfsdaken vol te plempen met zonnepanelen, vormde de boodschap. Ook zat Theo Föllings in de voorhoede van mensen die opriepen om de elektriciteitsnetten te verstevigen zodat bedrijven dat potentieel beter kunnen benutten.

Bezwijkend stroomnet

Inmiddels heeft de SKBN-voorzitter geen moeite meer zijn boodschap voor het voetlicht te brengen. Het bewustzijn is groot. Vooral omdat het capaciteitsprobleem op het stroomnet de afgelopen twaalf  maanden verontrustende trekken krijgt. Paradoxaal genoeg door de torenhoge energieprijzen en de toenemende urgentie van het  klimaatvraagstuk, waardoor zonnepanelen niet meer aan te slepen zijn. Zo dreigt het stroomnet ook te bezwijken onder de energietransitie om de klimaatopwarming te beperken.

Nederland kleurt rood

Een steeds groter deel van de twee congestiekaartjes die de gezamenlijke netbeheerders op internet publiceren, kleurt dan ook rood. Het ene kaartje heeft betrekking op de afnamemogelijkheden van zelfopgewekte stroom. Het andere kaartje betreft de mogelijkheden om überhaupt een nieuwe aansluiting te krijgen. ‘Als je de beide kaartjes over elkaar legt, kleurt een flink deel van Nederland inmiddels rood’, weet Föllings. ‘Rood betekent dat er eigenlijk niets meer mogelijk is. De komende tijd zal Nederland alleen maar roder worden.’

Rapport Savills

Vastgoedadviseur Savills kwam recentelijk zelfs met een alarmerend rapport waaruit blijkt dat inmiddels in drie Nederlandse regio’s aanvragen voor aansluitingen op het stroomnet voor nieuwe distributiecentra worden geweigerd. In de gebieden rond luchthaven Schiphol en de regio’s rond Amsterdam en Waddinxveen-Bleiswijk is er te weinig capaciteit op het elektriciteitsnet om nog nieuw logistiek vastgoed te bouwen met een aansluiting op het reguliere stroomnet. Dat uitgerekend Amsterdam en omgeving dik in de problemen zitten, komt ook door de hoge concentratie datacenters, ware energieslurpers immers.

Ronduit zorgwekkend

De gevolgen van de netcongestie zijn inmiddels ronduit zorgwekkend en beperken zich beslist niet tot de logistieke sector of de industrie. Ook de woningbouw loopt gevaar. Zo moet Amsterdam 200.000 woningen bijbouwen om de woningnood aan te pakken. Tegelijkertijd wil de stad in 2040 fossielvrij zijn. Daardoor neemt de vraag naar elektriciteit zo sterk toen, dat het stroomnet eronder bezwijkt als er niet snel extra kabels bijkomen. Netbeheerder Liander, verantwoordelijk voor de aansluitingen in de hoofdstad, spreekt van ‘een perfecte storm’, schreef het FD onlangs.

Andere regio’s

In drie andere regio’s, Eindhoven, Tilburg-Waalwijk en Zaltbommel-Tiel-Geldermalsen, is de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk ook zeer beperkt. Als aanvragen voor een aansluiting worden geweigerd, is het in theorie nog wel mogelijk om een nieuw distributiecentrum of productiebedrijf te plaatsen. Maar zo’n locatie moet dan zelf zorgen voor de toevoer van elektriciteit, bijvoorbeeld door die zelf ter plekke op te wekken met zonnepanelen. Volgens vastgoedadviseur Savills kan dit de komst van nieuwe distributiecentra beperken.

Lange wachttijden

Volgens Savills is in ruim een derde van de gemeenten nauwelijks of geen plek meer. De problematiek op het stroomnet is groot, stelde Niek Poppelaars van Savills ronduit tegen BNR. ‘In de ene gemeente zorgt dat voor lange wachttijden, zo moet je in de regio Schiphol vier tot vijf jaar wachten op een aansluiting. Terwijl de gemeente Eindhoven voorrang geeft aan bedrijven in de techsector, waardoor andere er maar beperkt terecht kunnen.’

Projecten worden uitgesteld of zelfs helemaal geannuleerd, merkt Poppelaars. ‘Bedrijven kijken om zich heen en wijken in het uiterste geval uit naar landen als België en Duitsland.’ Behalve dat het ons vestigingsklimaat onder druk zet, komen ook onze duurzaamheidsambities in gevaar, zei directeur Kees Noorman van de Amsterdamse ondernemersvereniging Oram tegen BNR. Tot en met 2027 zit het stroomnetwerk van onze hoofdstad grotendeels vol.

Dure kabel

Ook Limburg ondervindt problemen met het stroomnet. Volgens Managing Director Léon Vié moet zijn logistiek vastgoedbedrijf P3 Logistic Parks voor de aansluiting van een groot zonneproject op het 99.000 m2 omvattende distributiecentrum in Echt uit eigen zak een kostbare kabel betalen naar een 11 kilometer verderop gelegen stroomverdeelstation. Dit omdat netbeheerder Enexis ter plekke over onvoldoende capaciteit beschikt. ‘Die extra kosten zijn niet eens het grootste probleem. Echt vervelend is dat we nog twee jaar moeten wachten voordat die kabel er eindelijk ligt. Enexis moet eerst tot overeenstemming komen met alle grondeigenaren.’

Waarom kiest P3 niet voor eigen opslag met een batterij? Volgens Vié zijn batterijen nog niet bedrijfseconomisch verantwoord voor een individueel distributiecentrum. ‘Om helemaal zelfvoorzienend te zijn, is kwantiteit nodig. Een oppervlakte van 250.000 m2 vormt het minimum. Maar de techniek gaat gelukkig snel.’

En samenwerking met de buren? ‘Dat zou ook een oplossing kunnen zijn’, stelt hij bedachtzaam. ‘Maar vorig jaar, toen we deze beslissing namen, was er weinig animo. Sinds de verdrievoudiging van de energieprijzen door de oorlog in Oekraïne ligt dat anders.’

Grote ambities

Aan ambities in de logistieke vastgoedwereld is in ieder geval geen gebrek. Zo wil logistiek vastgoedbedrijf WDP zijn hoeveelheid zelfopgewekte zonne-energie de komende jaren bijna verdrievoudigen. Het in Amsterdam en Brussel genoteerde WDP bezit een portefeuille van 6 miljoen vierkante meter, waarvan de helft in Nederland, en is al sinds 2007 met zonnepanelen in de weer. De huidige capaciteit bedraagt 95 megawatt, goed voor de stroomvoorziening van een middelgrote stad zoals Leiden. Dat moet naar 250 megawatt in 2025. ‘Voor 2021 was de zon goed voor 5,4 procent van de WDP-inkomsten. ‘Daarmee is de zon onze grootste huurder. Die bijdrage zal ook nog wel in relatieve zin verder groeien tot zo’n 7 procent, maar toch beperkt omdat de hele portefeuille groeit.’, stelt ceo Joost Uwents.

Wat merkt WDP van de capaciteitsproblemen in Nederland? Uwents: ‘De knelpunten spelen voor ons vooral bij Schiphol. We hebben daar drie distributiecentra. Mochten we een vierde willen aansluiten op het elektriciteitsnet dan kan dat de komende jaren niet. Nieuwe aansluitingen zijn daar niet mogelijk tot 2025. De problemen hangen vooral samen met de grote hoeveelheid datacenters in die regio. In andere delen van Nederland ondervinden we zelf nog geen grote problemen. Maar het is wel bijna overal in Nederland een groeiend probleem.’

Eigen opslag

WDP wil tot 2025 elk jaar 50 megawatt toevoegen. Hoe denkt de Belgische onderneming dat te realiseren gezien de knelpunten op het net? ‘Door meer zelf te doen. Door beter te kijken hoe we de zelf opgewekte energie kunnen inzetten voor onze gebruikers en door ook aan de eigen opslagcapaciteit te werken. Tegelijkertijd zal de vraag van onze klanten naar elektriciteit ook sterk toenemen, omdat straks alles gasloos moet om maar eens een Nederlands modewoord te gebruiken. En vanwege de elektrificatie van het wagenpark. Niet alleen personenauto’s en bestelbusjes worden elektrisch, maar ook de trucks. De opslagtechnologie evolueert snel. Daar willen we straks volop gebruik van maken voor onze bestaande portefeuille.’

Toekomstbestendig net

De huidige regering wil onze energie-netwerken in deze kabinetsperiode toekomstbestendig maken. Ze richt zich daarbij op verzwaring van het elektriciteitsnetwerk en de bouw van een waterstofnetwerk. Dat kost veel tijd en geld. De gezamenlijke netbeheerders geven tot 2030 ongeveer 40 miljard euro aan de verbeteringen. Grote tekorten aan technici, lange realisatietermijnen en regelgeving belemmeren bovendien snelle verzwaring en aanpassing van het net. Ook kunnen domweg niet overal tegelijk de straten open.

‘Het probleem is dat die extra capaciteit pas op z’n vroegst over vijf jaar beschikbaar komt’, spreekt de SKBN-voorzitter Föllings zorgelijk. ‘In de tussenliggende tijd dreigen we in een vicieuze cirkel te belanden.’

Ondanks deze ongekende problemen – Nederland klopte zichzelf tot enkele jaren geleden zelfs graag op de borst vanwege de ‘geweldige kwaliteit’ van het eigen stroomnet – is Föllings toch optimistisch. ‘Wij zitten in een overgangstijd van fossiele naar duurzame energiebronnen, waarin verschillende zaken nu tegelijkertijd samenkomen en we nog niet de oplossingen gereed hebben. Maar onder druk wordt alles vloeibaar.’

Enorme potentie

Volgens Föllings zijn zonnepanelen slechts een van de vele middelen voor de verduurzaming van bedrijventerreinen. ‘Op bedrijventerreinen ligt een enorme potentie voor het oprapen. Denk bijvoorbeeld ook aan warmte-koude systemen, zonne-energie en opslagsystemen zoals batterijen. Maar ook nieuwe systemen rond waterstof, (op-)windsystemen dragen vast en zeker in de toekomst bij. Maar we moeten wel bereid zijn te bukken. Dat geldt zowel voor de overheid als het bedrijfsleven.’

Proeftuin smart energy hubs

Volgens hem moet de oplossing voor het capaciteitsprobleem dan ook mede gezocht worden in decentrale, maar geïntegreerde smart energy hubs. Dergelijke micro-grids combineren de verschillende duurzame energievormen zoals warmte koude opslag, zonne-energie en waterstof en beschikken over eigen opslagcapaciteit in grote batterijen, die waar mogelijk ook gebruikt kunnen voor bijvoorbeeld elektrische binnenvaartschepen en het vrachtvervoer over de weg.

In zijn dagelijkse werk als manager Business Development bij de Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland is Föllings nauw betrokken bij de plannen om Gelderland en Overijssel tot proeftuin te maken voor deze regionale smart energy hubs. Inmiddels zijn acht projecten geïdentificeerd waaronder bedrijventerrein InnoFase in Duiven en Hessenpoort in Zwolle. Ook is er een fonds opgericht om de projecten te financieren. Per project is circa 10-20 miljoen euro nodig. Maar ook andere voorbeelden elders in Nederland geven aan dat decentrale energiesystemen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie.

Infarct voorkomen

Wat de metro is voor het openbaar vervoerssysteem, is een smart energy hub voor het energiesysteem: een aanvulling op de hoofdinfrastructuur, die regionale vraag en aanbod verbindt en een infarct voorkomt, legt hij enthousiast uit. De kern van een smart energy hub is een slim sturingssysteem dat de opwek, opslag en het gebruik van duurzame energie regisseert. Een lokaal netwerk koppelt opwek direct aan gebruik, waardoor het hoofdnet wordt ontzien. De ongelijktijdigheid van aanbod en vraag wordt opgevangen door opslag in batterijen en waterstof.

De smart energy hub is bovendien een schaalbaar concept, zowel qua omvang van een hub als qua aantal hubs. De beste locatie voor een smart energy hub is volgens Föllings daar waar grootschalige energievraag en -aanbod bij elkaar komen, zoals een bedrijventerrein of een haven.

Schiphol Trade Park

Directeur Jan Verheij van Joulz, aanbieder van integrale energie-infrastructuren en -diensten, gelooft ook in decentrale energiesystemen. Joulz is via zijn opdrachtgever, logistiek vastgoedbedrijf Intospace, betrokken bij een uniek initiatief op Schiphol Trade Park in Hoofddorp. Intospace leverde daar dit voorjaar een nieuw distributiecentrum op van 55.000 m2 en 6.500 m2 tussenvloer dat als eerste in Nederland geheel zelf kan voorzien in de eigen energiebehoefte.

Geen beletsel

‘Met deze ontwikkeling laten we als Intospace zien dat het probleem van de congestie van het publieke elektriciteitsnet niet hoeft te betekenen dat er geen nieuwbouwprojecten kunnen worden gerealiseerd’, sprak Intospace-ceo Tim Beckmann trots bij de oplevering. ‘Door in samenwerking met Joulz een gebouw te ontwerpen en te ontwikkelen dat niet of nauwelijks afhankelijk is van het publieke net, hebben we een uiterst toekomstbestendig pand opgeleverd.’

In totaal telt het nieuwe distributiecentrum ruim 20.000 zonnepanelen. Een deel van die stroom wordt opgeslagen in de twee containerbatterijen die het pand telt. De elektriciteitsvoorziening wordt voor de zomer opgeleverd door Joulz.

Energiecollectief

Het pand krijgt zijn elektriciteit vanuit de eigen opwekking en is daarbij tevens aangesloten op het onlangs opgerichte Energiecollectief Schiphol Trade Park. Binnen dat collectief, geïnitieerd door gebiedsontwikkelaar SADC, delen vijftien bedrijven hun ongebruikte stroomcapaciteit via een virtuele laag met elkaar. ‘Een binnen Europa unieke samenwerkingsvorm’, aldus Verheij . Op Schiphol Trade Park konden vanwege de netcongestieproblematiek niet alle vijftien bedrijven die zich wilden vestigen stroom afnemen.

De vier ondernemingen die als eerste een bouwvergunning hadden, konden nog een aansluiting aanvragen bij netbeheerder Liander. In het energiecollectief gaan vijftien bedrijven de beschikbare netcapaciteit delen. Dankzij een combinatie van eigen energieopwekking en het uitwisselen van stroom hebben ze maar vier aansluitingen nodig. De combinatie van eigen opwekcapaciteit en de onderlinge samenwerking borgt de leveringszekerheid op het gebied van stroom.

Het nieuwe distributiecentrum is door meerdere lagen van leveringszekerheid altijd verzekerd van stroom. Het pand kan volledig ‘off-grid’ opereren. Een slim energiemanagementsysteem zorgt ervoor dat steeds weer de beste keuze wordt gemaakt over waar de stroom vandaan wordt gehaald (zonnedak, batterij, collectief of generatoren) en waar de stroom voor wordt gebruikt.

Voorbeeld voor de toekomst

‘Dit project is nu nog uniek in Nederland. Het is een mooie combinatie van bewezen technologie, met nieuwe innovatieve oplossingen en een intensieve samenwerking’, aldus Verheij van Joulz. Oplossingen die hier zijn bedacht, zijn volgens hem ‘een voorbeeld voor de toekomst’, waarin het draait om het optimaliseren van de energiebalans, ofwel gebruik en productie. En dan zonder dat de gebruiker hier iets van merkt. Dit kan voor ieder project of locatie, individueel, maar zeker en bij voorkeur ook in samenwerking met de omgeving; zoals de gebiedsontwikkelaar, omliggende bedrijven en de netbeheerder.

Bron: Vastgoedmarkt
 

Lees verder

Opinie

card image

Column van Theo Föllings

Opinie 'Breng niet bewoners, maar bedrijven naar de binnenstad'

Opinie

Column van Theo Föllings

Opinie 'Breng niet bewoners, maar bedrijven naar de binnenstad'

Lege panden in het centrum ombouwen naar woningen? Niet doen, vindt Theo Föllings, want dan wordt de binnenstad een dooie boel. Geef bedrijven juist meer de ruimte. 

Vorig jaar becijferde de Rabobank dat in overtollig winkelvastgoed circa 10.000 tot 20.000 woningen te realiseren zijn. Een druppel op een gloeiende plaat als je uitgaat van een bouwopgave van één miljoen woningen.

Om leegstand tegen te gaan, lijkt transformatie naar wonen niettemin een effectieve oplossing, want de vraag naar woonruimte is erg groot. Maar gemeenten hopen met deze ingrijpende verandering ook de leefbaarheid van winkelgebieden te vergroten. Het vorige kabinet reserveerde hier nog 100 miljoen euro voor. Minister Micky Adriaansens van economische zaken en klimaat bevestigde onlangs dat die regeling binnenkort wordt opengesteld.

Sinds de Middeleeuwen

Maar gemeenten die dit budget effectief willen inzetten, moeten zich realiseren dat binnensteden in eerste instantie economische centra zijn. Dit zijn ze al sinds de Middeleeuwen en daar is in al die eeuwen niets in veranderd. Toch bleek uit een enquête die vlak voor de pandemie onder 107 gemeenten werd afgenomen, dat die gemeenten de oplossing voor kwakkelende stads- en dorpscentra vooral zoeken in cultuur, toerisme, zorg, diensten, onderwijs en bij bewoners. Ook in het maatschappelijk debat over onze (binnen)steden lijkt sprake van een blinde vlek voor de betekenis die juist bedrijven kunnen spelen in de verlevendigen van stads- en dorpscentra.

Diverse deskundigen, onder wie de rijksbouwmeester, pleiten voor een groen-, recreatief-, woon-stadscentrum. En dat zijn allemaal nobele doelen, maar ze doen zowel bedrijven als (binnen)steden tekort.

Onze steden kampen met een ernstig tekort aan ruimte voor bedrijven. De afgelopen vijf jaar alleen al verdween een oppervlakte van 46 vierkante kilometer aan bedrijventerreinen, vaak omdat er woonwijken kwamen. Dat wonen goed mixt met een typische binnenstadfuncties, is een notoir misverstand. Wonen is geen economische activiteit, maar een relatief besloten privé-bezigheid. Bewoners vinden rust meestal belangrijk, wat zich slecht verhoudt tot de drukte van het centrum.

Ga op een willekeurige dag eens naar een willekeurige woonwijk: zelfs waar duizenden mensen verblijven is het over het algemeen heel rustig. En dat willen de bewoners ook. Zij hebben hooguit behoefte aan een supermarkt in de wijk, maar niet automatisch aan voorzieningen als cafés, daarvoor gaan ze juist naar het centrum.

Broodje in het centrum

Terwijl werken en winkel- en vrijetijdsfuncties elkaar wél goed aanvullen. Werknemers kunnen in het centrum terecht voor een broodje of gewoon een bezoek aan een winkel. Voor (toevallige) ontmoetingen die niet op het kantoor zelf (kunnen) plaatsvinden biedt het centrum alle gelegenheid. De werkweek kan informeel worden afgesloten in een kroeg om de hoek. Als het licht in de winkels en kantoren uitgaat, gaat de avondstad aan.

Daarbij, digitalisering maakt de aantrekkingskracht van binnensteden als werk- en ontmoetingsplek alleen maar groter. Zo trekken bedrijven nu van de Amsterdamse Zuidas naar de binnenstad. Ze geven voorkeur aan een stedelijke omgeving, want dat willen hun werknemers. Centrumbeleid zou meer gericht moeten zijn op het aantrekken van nieuwe economische functies in plaats van de nadruk die nu nog ligt op transformatie naar wonen en voorzieningen.

Opinieartikel door Theo Föllings, voorzitter van SKBN in Trouw

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Expertadviezen aan De Jonge: ‘Maak van woonopgave een woon-werkopgave’

Nieuws

Nieuws

Expertadviezen aan De Jonge: ‘Maak van woonopgave een woon-werkopgave’

Eén miljoen huizen en 5.530 tot 9.370 hectare extra bedrijfsruimte tot 2030 krijg je niet weggezet op de schaarse ruimte die we in Nederland hebben, zolang we wonen en werken als losse opgaven beschouwen, ook omdat de miljarden voor de woningbouwimpuls érgens verdiend moet worden. Dat is de toon van expertreacties op een rondgang door Stadszaken.

Onder druk van woningbouwplannen komt cruciale werkgelegenheid die zorgt voor praktische banen in de verdrukking op bedrijventerreinen als de Achtersluispolder in Zaandam, Bickhorst in Den Haag en Schieoevers in Delft. Werkgevers beklaagden zich in het Financieele Dagblad dat hen geen alternatief geboden wordt, of ze moeten verkassen naar de Flevopolder. In plaats daarvan pleiten werkgevers voor de bouw van méér huizen in de Almere, zodat zij niet hoeven te wijken voor nieuwe woningen. Voor Stadszaken was het aanleiding om een rondgang langs experts te doen, met de vraag: Wat moet VRO-minister Hugo de Jonge doen om ruimte voor werken in de stad te garanderen?

Theo Föllings, Voorzitter SKBN: ‘Meer ruimte voor economie en maatschappij in de stad’

‘Het is goed om te zien dat nu ook het FD het onderwerp dynamiek in de stad in het vizier heeft en zelfs op de voorpagina heeft geplaatst. Het is een issue dat de stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (kortweg SKBN) al geruime tijd aan het agenderen is, op tal van burelen. Met het voorbeeld uit Zaanstad heeft het FD een mooie case uitgewerkt waarin precies het dilemma wordt weergegeven waar de wethouders nu maar ook na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 mee worden geconfronteerd. En dit probleem speelt zich niet alleen af in Zaanstad maar in zeer veel gemeenten in Nederland.

De kern van het grote dilemma is dat we op korte termijn een probleem oplossen inzake de woningbouw, maar op lange termijn de economische dynamiek en broodnodige werkgelegenheid vernielen en de stad uitjagen. Treffend om te zien dat letterlijk een groot aantal banen ook verloren gaan. Het zijn juist die banen die we hard nodig hebben aan de onderkant van de arbeidsmarkt. En de uitdaging circulaire economie vraagt ook om diezelfde bedrijfsruimte.

Om dat op lange termijn te herstellen en alternatieven te zoeken is een kostbare zaak. Natuurlijk vormt woningbouw een issue, daar sluiten we onze ogen niet voor, maar het begrip cost of onwership en een meer maatschappelijke kosten-baten0analyse zou hier op zijn plaats zijn.

Binnenkamers bij de SKBN wordt ook wel eens gemopperd ‘die eerste en tweede miljard voor de woningbouw-impuls moet nog steeds ergens verdiend worden’. Laten we goed kijken naar alternatieven en de handen ineenslaan om te komen tot een integrale afweging van dit soort ruimteclaims. Voor meer relevante adviezen over bedrijfsterreinen, logistieke terreinen en Smart energy hubs terreinen verwijs ik naar het SKBN manifest: waarde voor economie én maatschappij.’

Lisette van der Kolk, adviseur Integrale Gebiedsontwikkeling bij TwynstraGudde: ‘Tweedeling tussen inwoners dreigt’

‘De nieuwe minister voor VRO heeft heel wat op zijn bordje. Wat vaststaat is dat in de beperkte ruimte in de stad naast bestaande functies ook nieuwe grote opgaven ruimte claimen – denk aan de energietransitie of klimaatadaptatie. In combinatie met de enorme woningbouwopgave moeten bestaande functies van de stad, zoals werken, zeker niet worden vergeten.

Met name de ruimte voor de maakindustrie neemt af nu bijna alle steden bezig zijn om bedrijventerreinen te transformeren naar woningbouw. Vroeger was het noodzakelijk om de fabrieken naar de rand van de stad te verplaatsen, vanwege de vervuiling die de maakindustrie veroorzaakt. Nu zijn vooral de steeds hoger stijgende vierkantemeterprijzen door het tekort aan woningen de oorzaak. Het is extreem lastig om nieuwe ruimte voor bedrijvigheid te vinden, maar ook om de bestaande plekken te behouden. Bedrijventerreinen staan onder druk, met als gevolg dat werkplaatsen de stad uit worden geduwd.

Maar let op, want de maakindustrie in de stad heeft een belangrijke economische functie. Het zorgt ervoor dat een diverse groep inwoners in eigen stad aan het werk kan en is daarmee een belangrijke aantrekkingskracht. Er dreigt een tweedeling tussen inwoners die een baan vinden in kantoorachtige omgeving in de stad en inwoners die werken in de maakindustrie en geconfronteerd worden met steeds grotere reisafstanden naar hun werk.

Wat zou helpen om dit negatieve effect te voorkomen is een meer integrale benadering. Het uitgangspunt daarbij is dat ruimtelijke opgaven met elkaar verbonden zijn. Zoals bijvoorbeeld de leefbaarheid van een stad, voldoende aanbod aan divers werk, het welzijn van bewoners, de bereikbaarheid en het realiseren van betaalbare woningen. Om dat te bereiken moet het Rijk meer regie nemen binnen het ruimtelijk domein. Werk minder met sectorale doelen voor de energietransitie, klimaatadaptatie of woningbouw. Het gaat er bij gebiedsontwikkeling in de stad om dat de verschillende opgaven in samenhang met elkaar worden bekeken en afgewogen. En ja, ook werken is daar een belangrijk aspect in.’

Gerlof Rienstra, Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies: ‘Werken plaatsen bij wonen, voor zover mogelijk’

‘Ruimte voor bedrijven in de categorieën industrie, bouw, logistiek en niet te vergeten circulaire activiteiten die zich lastig verhouden tot de functie wonen, moet geborgd blijven. Het is daarom belangrijk dat daarvoor geschikte werklocaties blijven bestaan.

Bovengenoemde bedrijventerreinen zijn met een maximale milieucategorie 4 voor zogenaamde hoge milieucategorie (HMC)-bedrijven. Het zijn vaak beton- en asfaltcentrales die op de schopstoel zitten, omdat die aan kades gevestigd zijn met relatief veel milieuhinder zoals geur, geluid en transportbewegingen per schip of vrachtwagen. Het is nog niet precies te zeggen hoeveel bedrijven moeten wijken, omdat er nog met bedrijven onderhandeld wordt. Wel is op Schieoevers inmiddels een nieuw bedrijfsverzamelgebouw in het voormalige NKF-pand (Nederlandse Kabelfrabriek, red.) gevestigd. Dus daar komen juist bedrijven bij.

Uit het Vestigingenregister van de gemeente Zaanstad blijkt dat op Achtersluispolder 106 van de 190 bedrijfsvestigingen écht op een terrein als deze horen (industrie, bouw en logistiek, red.). Daarnaast zijn op Achtersluispolder veel adviesdiensten, financiële- en facilitaire diensten, detailhandel en horeca gevestigd. Die hadden in principe ook elders kunnen zitten.

Landelijk worden HMC-industrieterreinen overigens voor 80 procent ‘bevolkt’ door bedrijven met een milieucategorie onder de 4. Er is landelijk dus sprake van een significante onderbenutting van milieuruimte op dit soort terreinen. Bedrijven die eigenlijk niet op zo’n HMC-terrein thuishoren, zou je in theorie kunnen uitplaatsen en integreren in nieuwe woon-werkgebieden, al dan niet gestapeld.

Op de ruimte die je daarmee vrijspeelt op HMC-terreinen, kunnen nieuwe HMC-bedrijven geplaatst worden. Mocht er ruimte over zijn, dan is het misschien mogelijk een gedeelte te transformeren naar wonen. Er vinden ook natuurlijke mutaties plaats, waarbij de eigenaar of gebiedsregisseur de mogelijkheid heeft meer te sturen op herverkaveling en locatieruil als gevolg van deze mutaties. Dat moet marktconform opgelost kunnen worden! Het kost wel tijd.

Vanuit ruimtelijk-economisch perspectief is vooral belangrijk dat werken bij het wonen wordt geplaatst. Dus als de woonopgave in de metropoolregio Amsterdam grotendeels wordt voorzien in Almere, dan zal ook het werken mee moeten verhuizen. Anders wordt het mobiliteitsprobleem op de A6/A1/A10 Noord alleen maar groter.

Waar het mogelijk is zal de functiescheiding tussen wonen en werken kunnen worden opgeheven. Ook financieel-economisch is dat interessant. Zo blijkt uit cijfers die ik in a2019 voor de provincie Zuid-Holland bestudeerd heb dat functiemening van werken – alleen met wonen of ook met andere gebruiksfuncties samen – in een aantal economische sectoren resulteert in hogere huur-, koop- en grondwaarde van vestigingslocaties.’

Lees verder

Achtergrond

card image

21-01-2022

Stadszaken: Bedrijventerreinen kunnen Rob Jetten helpen met klimaatambities

Achtergrond

21-01-2022

Stadszaken: Bedrijventerreinen kunnen Rob Jetten helpen met klimaatambities

Bedrijventerreinen en werklocaties zijn van grote waarde voor het nieuwe kabinet. Dat is de boodschap van de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen (SKBN) aan de nieuwe ministers Micky Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat, Rob Jetten voor Klimaat en Energie en Hugo de Jonge voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

In een brief aan deze ministers verwijst de SKBN naar de noodzaak om de ambities uit het regeerakkoord te realiseren, en de bijdrage die bedrijventerreinen daaraan kunnen leveren. Zowel op het domein van Adriaansens als Jetten en De Jonge hebben bedrijventerreinen de oplossingen voor enkele complexe vraagstukken al (deels) klaarliggen. 

Zonnepotentieel en klimaatadaptatie

Bij Jetten wijst de SKBN op het gigantische zonnepotentieel dat beschikbaar is op bedrijventerreinen. De cijfers: Nederland telt 2.547 bedrijfsgebouwen met minimaal 10.000 vierkante meter dakoppervlakte. Omdat het Klimaatakkoord in 2019 bedrijventerreinen over het hoofd zag, valt hier nog veel winst te behalen. Uit de Paris Proof Ranking blijkt dat er op ‘3.250 werklocaties nog een wereld is te winnen.’

Ook het thema klimaatadaptatie wordt aangestipt: ‘Gemiddeld wordt maar 1 procent van de ruimte op bedrijventerreinen gebruikt voor groene of blauwe functies. Hier valt dus nog veel winst te behalen. Groen-blauwe structuren op bedrijventerreinen zorgen daarnaast voor een gezonde werkomgeving.’ Bij het realiseren van de torenhoge klimaatambities kunnen er zo twee grote klappers gemaakt worden, meent de SKBN.

Wonen en werken mengen

De Jonge wordt daarna ‘nadrukkelijk gewezen op het belang van het verbinden van ogenschijnlijk tegenstrijdige belangen en daarbij behorende ruimteclaims.’ Daarmee doelt de SKBN op het mengen van wonen en werken. Beide eisen (veel) ruimte op en lijken daardoor tegenstrijdig. Maar door wonen en werken met elkaar te mengen ontstaat er een ‘win-winsituatie’, omdat de ruimte slimmer wordt gebruikt. SKBN: ‘Wij denken graag mee aan de hand van onze praktijkvoorbeelden.’

Innovatiekennis

Adriaansens wordt tot slot gewezen op de doelstelling om het groei- en innovatief vermogen van het mkb te versterken, en wijst op de taak van de regeringscoalitie om het ondernemersklimaat verder te verstevigen. Omdat 50 procent van alle banen in Nederland en 60 procent van alle R&D-investeringen op bedrijventerreinen gevestigd zijn, mag Adriaansens in zijn zoektocht niet over bedrijventerreinen heen kijken.

De SKBN heeft met verschillende campussen en kennispartners als TwynstraGudde genoeg innovatiekennis in huis om te delen met de minister. ‘Met onze kennispartners kunnen wij meedenken over het versterken van het mkb, in innovatieve ecosystemen die al bestaan of nog ontwikkeld moeten worden’, schrijft de stichting. 

De aanbevelingen van de SKBN zijn niet helemaal nieuw. Eind vorig jaar bracht de stichting al een manifest uit, waarin er nadrukkelijk aandacht werd gevraagd voor een integrale aanpak op bedrijventerreinen.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

SKBN reikt drie nieuwe bewindslieden de helpende hand

Nieuws

Nieuws

SKBN reikt drie nieuwe bewindslieden de helpende hand

SKBN verstuurde in de week van de installatie van het nieuwe kabinet brieven aan zowel minister Micky Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat (EZK), minister Rob Jetten van Klimaat en Energie en minister Hugo de Jonge van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).

Minister Micky Adriaansens van EZK zal in lijn met de doelstelling van de nieuwe regeringscoalitie om het groei- en innovatief vermogen van het mkb te versterken onder meer moeten zorgen voor een sterker ondernemersklimaat. Veel innovatie vindt plaats op bedrijventerreinen en werklocaties, die circa 50 procent van alle Nederlandse banen herbergen en waar 60 procent van alle R&D-investeringen neerslaan. In de brief aan minister Adriaansens bieden we haar aan om samen met onze kennispartners mee te denken over meer ruimte voor economie en het versterken van het mkb in innovatieve ecosystemen die een aantal werklocaties nu al zijn of kunnen worden. 
 
Minister Rob Jetten is in het nieuwe kabinet verantwoordelijk voor het realiseren van de aangescherpte CO2-reductiedoelstelling. In de brief aan minister Jetten attenderen we hem op het enorme potentieel die de 3.800 bedrijventerreinen en werklocaties in Nederland bieden bij het verwezenlijken van deze doelstelling, alleen al vanwege gigantische hoeveelheid zonne-energie die kan worden opgewekt bovenop 2.547 bedrijfsgebouwen met minimaal 10.000 vierkante meter dakoppervlakte, maar ook door besparing aangezien het totale energieverbruik op bedrijventerreinen met 700 petajoule een veelvoud is van het totale energieverbruik van alle Nederlandse huishoudens bij elkaar. En worden we graag in de gelegenheid gesteld om dit proces op de bedrijventerreinen te versnellen en verder aan te jagen. 
 
Minister Hugo de Jonge moet na de opheffing van het ministerie van VROM in 2010, ruimtelijke ordening weer een plek geven in het kabinetsbeleid. Ondertussen is ruimte alleen maar schaarser geworden en namen het aantal ruimteclaims alleen maar toe, waaronder ruimte voor werken, hét domein waar SKBN voor staat. In de brief aan minister De Jonge wijzen wij hem nadrukkelijk op het belang van het verbinden van ogenschijnlijk tegenstrijdige belangen en daarbij behorende ruimteclaims, en roepen wij hem op een coördinerende rol te vervullen en daarin ook oog te houden voor ruimte voor economie. Hierbij kan ook gedacht worden om samen met ruimtevragers invulling te geven aan ruimtelijke win-wins waaronder het combineren van Wonen en Werken daar waar mogelijk, en niet om eenzijdig bedrijventerreinen op te heffen vanwege de druk vanuit de woningbouwopgave. Graag denken we aan de hand van goede voorbeelden vanuit onze praktijk mee over een nadere invulling van de VRO-opgave.

Lees hier het Manifest 2021 | Waarde voor economie én maatschappij

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Cobouw: Steeds meer bedrijventerreinen op de goede weg naar Parijs

Nieuws

Nieuws

Cobouw: Steeds meer bedrijventerreinen op de goede weg naar Parijs

Nederlandse bedrijventerreinen hebben afgelopen jaar aanmerkelijk minder energie verbruikt dan een jaar eerder. Niet door de coronacrisis, maar als gevolg van energiebesparing en het overschakelen van aardgas naar (duurzame) stroom, blijkt uit een inventarisatie van 3.126 bedrijventerreinen door economisch geograaf Gerlof Rienstra.

Van de door hem onderzochte bedrijventerreinen voldeden er 561 (18 procent) aan de zogeheten ‘Paris Proof’ norm. Dat wil zeggen dat ze CO2-neutraal opereren en dus vooruitlopen op de doelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Daarin is vastgelegd dat in 2050 alle energie klimaatneutraal moet worden opgewekt.

Vorig jaar, tijdens Rienstra’s eerste inventarisatieronde, voldeed nog 14 procent van de bedrijventerreinen (485) aan de Paris Proof norm. “Het gaat dus zeker de goede kant op”, zegt Rienstra. “Steeds meer bedrijven zijn zich ervan bewust dat ze kunnen bijdragen aan het bestrijden van de klimaatcrisis door hun energieverbruik te verlagen of te verduurzamen. Dat is het opvallende van deze ontwikkeling: het wordt niet van bovenaf opgelegd. Subsidies spelen een rol, maar de initiatieven voor verduurzaming komen echt van onderop, uit de bedrijven zelf.”

Aardgas

Een belangrijke factor bij het verminderen van de totale hoeveelheid energie die bedrijven op een bedrijventerrein verbruiken is de omschakeling van aardgas naar elektriciteit, een trend die Rienstra al een jaar of zeven signaleert. “Aardgas maakt steeds vaker plaats voor stroom. Aardgas heeft een hogere energiewaarde dan elektriciteit. Als je van aardgas naar elektra overschakelt, daalt daardoor het energieverbruik in gigajoule.”

Die grote dozen lenen zich uitstekend voor zonnepanelen

Bovendien wordt die stroom steeds vaker duurzaam opgewekt. Via windmolens, maar vooral via zonnepanelen op daken, ziet Rienstra. “Niet voor niets doen juist terreinen met veel logistieke bedrijven het goed. Die grote dozen zijn misschien geen aanwinst voor het landschap, maar met hun enorme platte daken lenen ze zich uitstekend voor zonnepanelen. Windmolens worden ook wel geplaatst, maar zijn beduidend minder populair. Waarschijnlijk omdat ze toch vaak op bezwaren van de omgeving stuiten en er eerder gedoe is met vergunningen.”

Mogelijkheden

Volgens schattingen van de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN), waar Rienstra mee samenwerkt, zijn de mogelijkheden van zonne-energie op bedrijfsterreinen nog lang niet uitgeput. Op ruim duizend bedrijventerreinen staan gebouwen met een dakoppervlak van minstens 10.000 vierkante meter. Die zijn samen goed voor 18 petajoule aan energie, meer dan een half procent van het totale energieverbruik in ons land.

Bedrijventerreinen met veel zware en energieslurpende industrie daarentegen halen de Paris Proof norm vrijwel nooit, blijkt uit Rienstra’s inventarisatie. “Dat is op zich natuurlijk logisch. Het betreft vaak bedrijventerreinen uit de jaren zestig en zeventig, waar er nog heel veel van zijn. Toch zullen ook zij eraan moeten geloven. Op sommige bedrijventerreinen moet het energieverbruik voor 2050 met twee derde omlaag om daar aan te komen.”

Samenwerken

Die doelstelling is haalbaar als de bedrijven en bedrijventerreinen onderling gaan samenwerken bij het opwekken en verdelen van energie, denkt Rienstra. Bijvoorbeeld door restwarmte te delen en lokale opslag van elektriciteit mogelijk te maken die vervolgens naar behoefte onder de bedrijven kan worden verdeeld. “De oplossing ligt echt in collectiviteit. Maar dan nog zal niet ieder bedrijventerrein aan de klimaatdoelstellingen kunnen voldoen.”

De oplossing ligt in collectiviteit

Intussen dreigt een ander probleem roet in het eten te gooien bij de verdere verduurzaming van de Nederlandse bedrijventerreinen: het terugleveren van stroom aan het elektriciteitsnet, voor bedrijven een mogelijkheid om een deel van hun investeringen terug te verdienen, stokt omdat het elektriciteitsnetwerk het aanbod van stroom niet aankan. Rienstra: “Het is erg belangrijk dat de capaciteit van het netwerk snel wordt verhoogd.”

De vijf duurzaamste bedrijventerreinen zijn Vossenberg en Vossenberg West II in Tilburg, Majoppeveld Noord in Roosendaal, Weststad Fase 1 +2 in Oosterhout en Atlaspark in Amsterdam.

 

Bron: dit artikel is op 10 december 2021 gepubliceerd door Cobouw.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Sterke daling energieverbruik bedrijventerreinen

Nieuws

Nieuws

Sterke daling energieverbruik bedrijventerreinen

Het aandeel bedrijventerreinen dat nu al aan de ‘Parijse’ energienorm van 2050 voldoet is in 2020 gestegen van 14 naar 18 procent. Dat blijkt uit een inventarisatie van gebruiksgegevens van 3.126 bedrijventerreinen in Nederland.

Volgens economisch geograaf Gerlof Rienstra, die de ‘Paris Proof Ranking’ samen met SKBN uitvoerde, is de toename vooral toe te schrijven aan duurzame opwek op bedrijventerreinen zelf en de conversie van gas naar elektra.

In 2020 voldeden 561 terreinen aan de Paris Proof-norm (zie onder), 76 terreinen meer dan in 2019 toen 485 bedrijventerreinen aan de norm voldeden. 1.120 bedrijventerreinen hebben energieverbruik tussen één en drie keer ‘Paris Proof’ (1.056 in 2019). ‘In principe moet het mogelijk zijn die score in 30 jaar terug te brengen tot één keer de norm of minder. Dat wil zeggen dat het energieverbruik met tweederde terug moet’, aldus Rienstra. 1.445 bedrijventerreinen scoren meer dan drie keer de norm (1.662 in 2019). ‘Dat betekent dat deze bedrijventerreinen een meer dan gemiddelde inspanning moeten verrichten om hun energiegebruik terug te dringen tot de Paris Proof-norm. Ze hebben daar nog wel 30 jaar de tijd voor.’

Rienstra verklaart groei van het aandeel terreinen dat aan Paris Proof-norm voldoet onder door de groei van duurzame energie-opwek op bedrijventerreinen door zon en wind. SKBN bracht eerder in kaart dat verspreid over 1.026 bedrijventerreinen 2.547 panden met een dakoppervlakte van minimaal 10.000 m2 een potentieel aan zonne-energie van bijna 18 petajoule (PJ) herbergen. Het is volgens Rienstra ook niet toevallig dat relatief veel logistieke bedrijventerreinen nu al aan de Paris Proof-norm voldoen, zoals in onderstaande lijst van bedrijventerreinen met PPindex (Paris Proof-index) van 1 of later is te zien. Een score van 1 of lager is een Paris Proof-score.

Nu al voldoen aan de Parijse norm betekent niet dat gebouweigenaren achterover kunnen leunen, stelt Rienstra. Hij rangschikte bovenstaande terreinen naar omvang van het totale energieverbruik, om te laten zien waar het grootste potentieel ligt voor nog meer bezuinigingen en te voorkomen dat alleen nieuwere bedrijventerreinen of terreinen die qua commercieel vastgoed nog volop in ontwikkeling zijn, het beeld zouden bepalen.

Om die redenen viel Trade Port Noord in Venlo, vorig jaar nog nummer twee op de lijst, dit jaar buiten de rangorde. En dat is volgens Rienstra een verdienste. Trade Port Noord bespaarde met een zonne-energieprogramma in één jaar meer dan 30 procent energie, waardoor het energieverbruik decimeerde en het terrein niet meer tot de grootverbruikers behoort die tegelijk aan de Paris Proof-norm voldoen.

Een andere verklaring dat het aantal bedrijventerreinen dat nu al aan de Parijse norm voldoet is gegroeid, is volgens Rienstra de verduurzaming van productieprocessen en de conversie van gas naar elektra. ‘Aardgas heeft een hogere energiewaarde dan elektra. Als je van aardgas naar elektra gaat, dan gaat het energieverbruik in gigajoule omlaag’. Corona speelde volgens Rienstra geen rol van betekenis.

Methode

Om te bepalen of een bedrijventerrein Paris Proof is, legde Rienstra de verbruikscijfers van 3.878 Nederlandse bedrijventerreinen uit 2020 naast een Paris Proof-norm voor gebouwtypen en activiteiten van de Dutch Green Building Council (DGBC), ervan uitgaande dat het energieverbruik van de gebouwde omgeving met tweederde omlaag moet ten opzichte van het huidige verbruik. Dat leverde voor 3.126 bedrijventerreinen een match op. In 2050 moet volgens het Parijse klimaatakkoord alle energie duurzaam worden opgewekt, bijvoorbeeld met zon en wind. Uitgangspunt is dat er in 2050 610 PJ duurzame energie beschikbaar is, ongeveer een derde van het huidige energieverbruik in Nederland. Uitgaand van de huidige verdeling van het energieverbruik is voor gebouwen dan 36 procent van die 610 PJ beschikbaar, ofwel 220 PJ.

De Paris Proof Ranking is een initiatief van Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies en vakblad BT, en is in samenwerking met SKBN voor de tweede maal uitgevoerd. Doel is om in kaart te brengen in hoeverre het energiegebruik op Nederlandse bedrijventerreinen nu al aan de normen van Paris Proof voldoet. Anderzijds willen de initiatiefnemers in beeld brengen in hoeverre er een ontwikkeling waar te nemen is in het verminderen van het energiegebruik op bedrijventerreinen.

 

Lees verder