MEDIA

Nieuws

card image

Nieuws

Paris Proof Ranking: Minder bedrijventerreinen voldoen aan Parijs-norm

Nieuws

Nieuws

Paris Proof Ranking: Minder bedrijventerreinen voldoen aan Parijs-norm

Waar in coronajaar 2020 achttien procent van de Nederlandse bedrijventerreinen al voldeden aan de Parijse energienorm voor 2050, daalde dit aandeel in 2021 naar 14 procent. Volgens economisch geograaf Gerlof Rienstra (Rienstra beleidsadvies en beleidsonderzoek), die de energieprestaties van bedrijventerreinen voor het derde jaar op een rij samen met de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN) analyseerde, is de ‘teruggang’ een gevolg van het economisch herstel na de coronaperiode.

Paris proof ranking

Rienstra analyseerde de gebruiksgegevens van 3217 bedrijventerreinen. Op basis daarvan stelde hij de ‘Paris Proof Ranking’ vast. Waar in 2020 563 terreinen voldeden aan de Paris Proof-norm, is dat aantal in 2021 gedaald naar 522. In 2019, het eerste jaar dat Rienstra Beleidsadvies en Beleidsonderzoek en SKBN de eerste Paris Proof Ranking uitbracht, voldeden ‘maar’ 485 terreinen aan de norm.

Rienstra: “De daling van het energieverbruik op bedrijventerreinen in 2020 was dus incidenteel en een gevolg van de lockdowns tijdens de corona-pandemie. We zijn weer praktisch terug bij de stand van zaken in 2019: terug bij af. Er is nog een lange weg te gaan.”

Leiden Bio Science Park

Ondanks de toename van het energieverbruik in 2021, zijn er een aantal positieve uitzonderingen. Rienstra maakte een top 50 van de bedrijventerreinen met een aflopend absoluut energieverbruik in 2021 die voldoen aan de Paris Proof-norm voor gebouwtypen en activiteiten van de Dutch Green Building Council (DGBC).

Net als voorgaande jaren scoren logistieke distributieterreinen goed in deze lijst, omdat deze gebouwen relatief veel vierkante meters in bezit en een laag energieverbruik hebben. Ook is er op dergelijke terreinen vaak sprake van veel zelfopgewekte energie middels zonnepanelen op het dak.

Opvallend is dat het Leiden Bio Science Park met veel kantoren en laboratoria, de lijst aanvoert. Het terrein scoorde aanzienlijk beter dan in 2020. Ook het Arnhemse Industriepark Kleefse Waard boekte vooruitgang. Ook zij vallen nu binnen de Paris Proof-norm. Volgens Rienstra komt dat mogelijk omdat deze terreinen zelf meer energie zijn gaan opwekken.

947 bedrijventerreinen hadden in 2021 een energieverbruik tussen de één en drie keer de Paris Proof-norm (1120 in 2019). Deze bedrijventerreinen moeten hun energieverbruik tot tweederde terugbrengen om aan de norm te voldoen in 2050. “In principe moet het mogelijk zijn die score in 30 jaar terug te brengen tot één keer de norm of minder”, aldus Rienstra. De overige 1748 bedrijventerreinen (54 procent) scoren een index van meer dan drie. Dat betekent dat deze bedrijventerreinen een meer dan gemiddelde inspanning moeten verrichten om hun energieverbruik terug te dringen tot de Paris Proof-norm. In 2020 behoorden er nog 1445 bedrijventerreinen tot deze categorie.

Ranking

Methode

Om te bepalen of een bedrijventerrein Paris Proof is, legde Rienstra de verbruikscijfers van 3800 Nederlandse bedrijventerreinen uit 2021 naast een Paris Proof-norm voor gebouwtypen en activiteiten van de Dutch Green Building Council (DGBC), die ervan uitgaat dat het energieverbruik van de gebouwde omgeving met tweederde omlaag moet ten opzichte van het huidige verbruik. Dat leverde voor 3217 bedrijventerreinen een match op. In 2050 moet volgens het Parijse klimaatakkoord alle energie duurzaam worden opgewekt, bijvoorbeeld met zon en wind. Uitgangspunt is dat er in 2050 610 PJ duurzame energie beschikbaar is, ongeveer een derde van het huidige energieverbruik in Nederland. Uitgaand van de huidige verdeling van het energieverbruik is voor gebouwen dan 36 procent van die 610 PJ beschikbaar, ofwel 220 PJ.


Doel van de Paris Proof Ranking is om in kaart te brengen in hoeverre het energiegebruik op Nederlandse bedrijventerreinen nu al aan de normen van Paris Proof voldoet. Anderzijds willen de initiatiefnemers in beeld brengen in hoeverre er een ontwikkeling waar te nemen is in het verminderen van het energiegebruik op bedrijventerreinen.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

‘Bedrijventerrein is weeskind van de politiek’

Nieuws

Nieuws

‘Bedrijventerrein is weeskind van de politiek’

Met verduurzaming van bedrijventerreinen realiseer je een derde van de Parijse klimaatdoelen. Waarom gaat dat proces zo moeizaam?

De Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland opereert op het snijvlak van bedrijven en gemeenten. Voorzitter Theo Föllings probeert al jaren de verduurzaming van de terreinen beter op de agenda te krijgen. ‘Begin als gemeente bij ons, want in woonwijken verloopt de energietransitie een stuk ingewikkelder.’    

Overbrugger
'
Mister bedrijventerreinen’, wordt Theo Föllings (61) wel genoemd. Niet zonder reden. Dertien jaar werkt hij als directeur innovatie bij de ontwikkelingsmaatschappij voor Oost-Nederland, Oost NL. Dit jaar is hij ook ‘koperen’ voorzitter van de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN). De afgestudeerd geograaf en bedrijfskundige overbrugt de doorgaans gescheiden werelden van overheid en bedrijfsleven. En dat is nodig.

Noodzakelijk
Bedrijven zijn binnen gemeenten de grootste energieverbruikers. Met vallen en opstaan zoekt het lokale bestuur naar manieren om de grootste gasverslinders te verduurzamen. Een moeizaam, maar noodzakelijk proces want, zegt Föllings: ‘Met de transitie van bedrijventerreinen behaal je een derde van de klimaatdoelstellingen van Parijs.’

Simpeler
De opdracht om bedrijven te verleiden van het gas af te gaan lijkt een stuk simpeler dan die om burgers van hun vertrouwde gasstel en gashaard te krijgen – als immers de businesscase voor het bedrijf in kwestie maar klopt. En dan gaat het snel. Het energieverbruik van sommige bedrijven is hoger dan dat van een complete woonwijk. Begin als overheid dus dáár, zou je zeggen.

Weeskind
‘Dat vind ik natuurlijk met jou’, reageert Föllings. ‘Maar bedrijventerreinen zijn het weeskind van de politiek. Gemeenten krijgen van het rijk een miljard euro om versneld woningbouwlocaties te ontwikkelen. Maar de helft van die locaties werd gevonden door bedrijventerreinen om te katten! Bij sommige kun je zeggen: dat is zo’n ouwe troep, het lijkt me heel verstandig. Maar het gaat zeer rigoureus. Vooraanstaande onderzoeksbureaus blijken in verschillende provincies te onderzoeken of niet álle bedrijventerreinen er deels om te katten zijn naar woonlocaties’.

Eigen boezem
Hij steekt de hand deels in eigen boezem. ‘Ook wij dachten bij bedrijventerrein vijf jaar geleden vooral in termen van werkgelegenheid. We dachten er ook niet over na om extra waterkanalen aan te leggen ten behoeve van de klimaatadaptatie. Of dat we de bedrijfsdaken vol konden leggen met zonnepanelen om er energiecentrales van te maken.’

Bottleneck
Hoe valt het verdienvermogen van bedrijven dan wel te combineren met de maatschappelijke meerwaarde van de terreinen? Oftewel, zegt Föllings: ‘Hoe maak je als gemeente een model om dit soort processen op bedrijventerreinen van de grond te krijgen? Daar gaat het om. Een plan van aanpak, plus een organisatievorm om het vervolgens uit te voeren. Daar heb je als gemeente zomaar een, twee jaar voor nodig. Dat is nu overal in het land een bottleneck. Want geen enkele gemeente of andere overheid is bereid in een dergelijk model te investeren. En ook private partijen niet. Zo komen de smart energy hubs die ons voor ogen staan niet tot stand.’

BB: Kunnen de regionale energiestrategieën daar niet de motor van vormen?

TF: ‘In de meeste RESsen komt het woord bedrijventerrein niet of nauwelijks voor. Of slechts als een soort restpost; niet als een mogelijke bron van duurzame energie-opwek .’  

BB: Dat is toch onbestaanbaar!

TF: ‘Inderdaad. Maar ook weer niet vreemd: het onderwerp stond bij veel partijen gewoon niet op het netvlies. Mogelijk kunnen door een aangepaste prioritering in de energieregio’s de bedrijventerreinen volwaardig meedoen. Dan kunnen we veel meer vaart maken met het concreet realiseren van de energiedoelstellingen.’  

BB: Wat is de rol van een gemeente in dat proces: faciliteren of regisseren?

TF: ‘Alleen op nieuwe bedrijventerrein kun je als gemeente de regie in eigen hand nemen. Bijvoorbeeld door voordat je de grond uitgeeft een statuut te maken, waarin staat aan welke eisen je als bedrijf moet voldoen om je er mogen vestigen. Op bestaande terreinen moet je  faciliteren: de bedrijven zo ver krijgen dat ze de handen ineen slaan en activiteiten ontplooien.’

BB: Toch geven ondernemersverenigingen op bestaande parken aan dat ze daarbij meer kaders van hun gemeente willen. Dan weten ze beter waar ze aan moeten voldoen.

TF: ‘Die komen er. Vanaf 1 januari aanstaande moeten alle kantoren minimaal energielabel C hebben. Ook voor bedrijfspanden komt die eis eraan. Ik hou mijn hart vast, eerlijk gezegd. Gemeenten hebben al gezegd dat ze niet meteen zullen handhaven. Maar je moet je ondernemers er nu al bewust van maken. Anders staan ze over een paar jaar, als je wel gaat handhaven, voor een veel te grote stap: de boel gaat dicht, want jij voldoet niet.’

BB: Wat is voor een gemeente een logische eerste stap?

TF: ‘Onderzoek of er op een bedrijventerrein een organisatie werkzaam is, zoals een ondernemersvereniging. Ga daar het gesprek mee aan. Veel ondernemers blijken best bereid mee te betalen aan energiemaatregelen, maar het fundament moet op orde zijn: een schone en veilige locatie. Als je dat als gemeente niet goed hebt geregeld, zullen ondernemers nooit investeren. Pas was ik voor een bijeenkomst op een Gelders bedrijventerrein. Ik zag werknemers van bedrijven die bezig waren om zwerfvuil weg te werken. De gemeente ondersteunde deze met materiaal, vuilnisbakken en een vuilniswagen. Ze snappen allebei dat een bedrijventerrein meer voorstelt zónder al dat rondzwervende plastic en papier. En dan is de volgende stap: jongens, laten we samen ook eens wat aan energie gaan doen.’

Dit artikel werd geschreven en gepubliceerd door Binnenlands Bestuur.
Lees hier het hele verhaal.

Lees verder

Achtergrond

card image

07-10-2022

SKBN viert 12,5 jarig jubileum

Achtergrond

07-10-2022

SKBN viert 12,5 jarig jubileum

SKBN heeft dit jaar een jubileum te vieren. De stichting bestaat namelijk 12,5 jaar. Voor SKBN een mooie aangelegenheid om te vieren, voor vakblad BT tijd om eens terug te blikken. En met wie kan dat beter dan voorzitter Theo Föllings? "Bedrijventerreinen zijn geen cashcow meer", vertelt hij in een vraag-antwoordgesprek.

Waarom is de SKBN eigenlijk opgericht 12,5 jaar geleden?

"We zijn 12,5 jaar geleden opgericht omdat er enorme behoefte was aan kennis over bedrijventerreinen. Hoe die duurzamer kunnen worden en hoe je die beter kunt opzetten. In die tijd was Milieudefensie bezig met een campagne die "Trek de Groene Grens" heette, die te maken had met de ongebreidelde groei van bedrijventerreinen langs snelwegen. Daardoor verloor Nederland het zicht op groen en hadden mensen het gevoel dat bedrijventerreinen een sprinkhanenplaag waren. Vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid dat we wel fatsoenlijk met bedrijventerreinen moesten omgaan, we moesten namelijk ook nog ons brood blijven verdienen, zijn we begonnen. 

De directe aanleiding is dat Elsevier in het verleden altijd een bedrijventerreinencongres organiseerde. Oubollig, vond ik die. En Jan-Willem Wesselink van ELBA\REC vond dat ook. Zodoende hebben wij met Oost NL (de regionale ontwikkelingsmaatschappij waar Theo Föllings directeur innovatie is, red.) en ELBA\REC zelf een bedrijventerreinencongres georganiseerd. Dat was een enorm succes en andere regionale ontwikkelingsmaatschappijen keken er met bewondering naar. Zij wilden met ons meedoen. Vanuit de gedachte 'als je niet kunt delen, kun je ook niet vermenigvuldigen' hebben we vervolgens de SKBN opgericht."

De afgelopen 12,5 jaar is er veel veranderd. Hoe zijn jullie standpunten veranderd? En waarin is SKBN hetzelfde gebleven?

"Wat gelijk is gebleven is dat we vinden dat het herstructureren van bedrijventerreinen noodzakelijk is om optimaal gebruik te maken van de schaarse ruimte. Ook vinden we beheer nog steeds heel belangrijk. Als een bedrijventerrein niet schoon, heel en veilig is, dan gaan ondernemers daar niet meer in investeren. Als die drie dingen niet op orde zijn, dan zou ik 'forget it' tegen ze zeggen. Dat is altijd zo gebleven.

Wat duidelijk wel is veranderd, zeker in de afgelopen jaren, is dat er nieuwe thema's zijn opgekomen. Ik denk dan aan biodiversiteit en de verdeling van energie op bedrijventerreinen. We hebben daar echt stappen in gezet. Ook wil ik nog even digitalisering benoemen. Wat de gevolgen daarvan zijn voor bedrijventerreinen is nog lastig bij de kop te pakken. Maar iedereen snapt wel dat e-commerce en XXL-logistiek door die digitalisering komt."

En hoe is de (landelijke) visie op bedrijventerreinen veranderd?

"Meer dan tien jaar geleden waren er bij veel gemeenten mensen in gelikte pakken bezig om bedrijventerreinen te verkopen. Tegen het ordinaire aan, eigenlijk. Bedrijventerreinen waren een cashcow om de gemeentekas te spekken en om de begroting te dekken. Het verdiende geld ging echter niet naar het beheer van bedrijventerreinen, waardoor deze steeds verder verloederden. Pas in de laatste drie jaar zie je dat er weer beter wordt nagedacht over de rol van bedrijventerreinen voor Nederland. Dat er weer wordt gedacht: hier werken zoveel mensen en hier wordt zoveel geld verdiend. We zien de brede maatschappelijke meerwaarde dus weer."

Welke rol heeft de SKBN hierin gespeeld?

"We hebben het niet alleen gedaan, maar onze aanwezigheid heeft wel geholpen. We hebben het weeskind van de politiek (bedrijventerreinen dus, red.) onder onze hoede genomen en ervoor gezorgd dat het weer geagendeerd werd op de politieke agenda's. In 2019 werd er eindelijk weer gesproken over een minister van Ruimtelijke Ordening en tegenwoordig hoor je ook overal dat er voor iedere woning een baan gecreëerd moet worden. Dat komt mede door ons."

Wat hoop je dat de toekomst voor SKBN zal brengen?

"Die heb ik scherp voor de geest. Ik hoop dat de SKBN schoon, heel en veilig blijft bestaan. Dat is en blijft voor ons de basis. Het mag ook duidelijk zijn dat we niet alleen meer willen agenderen dat bedrijventerreinen maatschappelijk meerwaarde hebben. We willen ook nog meer laten zien hoe bepaalde problemen in de praktijk worden aangepakt. Zodat we bepaalde thema's daadwerkelijk verder kunnen brengen. Daar gaan we onze schouders onder zetten."

Dan tot slot: hoe gaan jullie dit jubileum vieren?

"Een dag voor het BT Event (op 10 november, red.) komen we met participanten van de SKBN bij elkaar op de Nacht van de Bedrijventerreinen. Dat wordt een zowel inhoudelijke setting als een informele, zoals dat hoort bij de SKBN. We gaan nadenken over toekomstige evenementen en activiteiten van de SKBN. Het is goed dat we elkaar daar weer zien, na corona hebben we een achterstand om in te halen.

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Circulaire activiteiten op bedrijventerreinen vragen 870 hectare extra ruimte in 2030

Nieuws

Nieuws

Circulaire activiteiten op bedrijventerreinen vragen 870 hectare extra ruimte in 2030

Circulaire activiteiten hebben in 2030 870 hectare extra ruimte op bedrijventerreinen nodig. Dat blijkt uit onderzoek van SKBN in samenwerking met Rienstra Beleidsadvies en Beleidsonderzoek. 

Het onderzoek focust zich vooral op de deelsectoren recycling en reparatie, omdat die als kernactiviteiten van circulaire economie kunnen worden beschouwd en goed zijn af te bakenen. De verwachting is dat recycling en reparatie als deelsectoren van de circulaire economie de meeste ruimte zullen opeisen in de komende jaren.  

Verder verwacht Gerlof Rienstra van Rienstra Beleidsadvies en Beleidsonderzoek dat groei in andere sectoren zich niet vertaalt in een evenredige groei van de ruimtebehoefte. Onderzoeksinstituut CE Delft gaf eerder aan dat het delen en het verlengen van de levensduur van goederen in potentie leiden tot afname van het ruimtegebruik voor productiefaciliteiten en logistieke activiteiten. 

Om tot de 870 hectare extra ruimte komen, paste Rienstra zijn classificatie toe op de provincie met het grootste aantal en verscheidenheid aan bedrijventerreinen, Noord-Brabant. De uitkomsten extrapoleerde hij vervolgens naar de landelijke situatie en ontwikkeling. 

“Het gaat in dit geval om een groot aantal industriële bedrijven met reparatie en onderhoud als hoofdactiviteit, afvalbehandeling en recycling, alsmede sloop in de bouw en autogarages. Het zijn activiteiten die allemaal een hoge milieucategorie kennen van minimaal 3 en daarmee op een bedrijventerrein thuishoren. In deze sectoren telt Noord-Brabant ruim 5.000 vestigingen, waarvan er meer dan 2.100 op een bedrijventerrein zijn gevestigd. De vestigingen op in totaal 598 bedrijventerreinen hebben een gemiddelde vloeroppervlakte per werkzame persoon van 344 m² in bedrijfsgebouwen”, aldus Rienstra.  

Daarmee is de ruimtebehoefte voor circulaire activiteiten nog niet gedekt. Ook buiten bedrijfsgebouwen is er volgens Rienstra ruimte nodig voor opslag en verwerking. Zo komt de economisch geograaf uiteindelijk tot een gemiddelde vloeroppervlakte van 819 m² per persoon.  

Milieuruimte en ontsluiting 

Om te kunnen voldoen aan de toenemende ruimtevraag voor circulaire activiteiten in de komende jaren is het belangrijk dat er genoeg bedrijventerreinen zijn met een grote milieuruimte en een goede ontsluiting, omdat circulaire activiteiten vanwege hun milieubelasting doorgaans aangewezen worden op afgebakende bedrijventerreinen.  

“Wellicht kunnen incourante kantoorgebouwen op HMC3+-terreinen langs snelwegen, niet aantrekkelijk voor omzetting naar wonen, worden getransformeerd naar circulaire-economielocaties. Bereikbaarheid over de weg en voldoende milieuruimte zijn dan in ieder geval gegarandeerd”, eindigt Rienstra. 

Lees verder

Achtergrond

card image

12-07-2022

Region Stuttgart in zeven lessen

Achtergrond

12-07-2022

Region Stuttgart in zeven lessen

Van dinsdag tot en met donderdag 21 tot en met 23 juni 2022 bezocht een groep van 32 SKBN’ers de metropoolregio Stuttgart. Lelijk volgens de een, interessant volgens de ander. Vaststaat is dat Stuttgart een dynamische stad en regio is, die de wereld naast de automobiel veelander technisch vernuft schonk met bedrijven als Mercedes-Benz, Porsche en Robert Bosch. Het is de vraag of de Stuttgart Regio de rol van voorloper weet te prolongeren in een snel veranderende tijd waarin de verbrandingsmotor in de ban wordt gedaan. Er staat véél op het spel.

De Duitse industrie is aan vernieuwing toe. De verbrandingsmotor voor personenvoertuigen wordt in de ban gedaan, al bedong de Duitse overheid nog uitstel van executie. Als het klad definitief in de Duitse auto-industrie komt, dan trekt het een schare van toeleverende industrieën met zich mee het slop in. Ofschoon de beleidmakers nu nog rekening houden met een vervangingsopgave van 200.000 mensen met dezelfde competenties als van de babyboomgeneratie die de komende vijftien jaar de fabrieken gaat verlaten, wordt er ook rekening gehouden met een toekomstscenario waarin er voor hooggekwalificeerde productietechnologen geen werk meer is. Om de status als productiestandplaats te behouden, zet de Duitse overheid al enige jaren stevig in op een industriepolitiek. Die industriepolitiek heeft de afgelopen twee jaar extra dimensie gekregen. Haperende toeleveringsketens (en ontbrekende voorraden) tijdens de coronapandemie, resulteerden in voornemens om productie van vitale onderdelen terug te halen naar Duitsland. De oorlog in Oekraïne legde pijnlijk bloot hoe afhankelijk Duitsland zich heeft gemaakt van vreemde mogendheden waar je liever niet afhankelijk van wilt zijn. Het stopzetten van gasleveranties uit Rusland kan hele industrieën, en daarmee de Duitse economie, in de diepte stortten.

Ruimte als knelpunt

Dat laatste ligt buiten de macht van het Verband Region Stuttgart (VRS), dat sinds de oprichting in 2004 een belangrijke coördinerende rol in het ruimtelijk-economisch beleid vervult in de economische regio waarvan Stuttgart het middelpunt is. Groot knelpunt voor verdere economische ontwikkeling en -diversificatie is een gebrek aan ruimte. En als er al ruimte is, dan voelen de circa 150 gemeenten die onderdeel uitmaken van de metropoolregio zich weinig geroepen om ruimte voor nieuwe industrie beschikbaar te stellen, omdat de inwoners het niet willen. Zij willen eigenlijk niets, vertelt Thomas Kiwitt, directeur regionale planning van VRS. “Veel mensen zitten in een soort vakantie-modus. Zij wonen in een dorp waar zij niet werken, niet winkelen. Ze zitten met een glas Weissbier in de tuin. Als je een enquête organiseert, dan scoren weginfrastructuur, openbaar vervoer, luchtkwaliteit en de woningmarkt altijd hoog. Maar we hebben geen politieke meerderheid voor méér wegen, méér openbaar vervoer, en méér huizen.”

Kortom: bewoners profiteren van economische zekerheid die de metropool inwoners heeft gegeven, maar houden de stad graag buiten de deur. Daarnaast bestaat ook in de regio Stuttgart een enorme spanning tussen twee ruimteclaims vanuit wonen en werken, waarbij werken vaak het onderspit delft.

Gemeenten zijn van oudsher sterk en eigenwijs, vertelt Kiwitt, met de burgemeester als aanvoerder. Enkele gemeenten tellen minder dan 10.000 inwoners, maar hebben wel dezelfde bevoegdheden van een grote stad als Stuttgart. De R&D-afdeling van Porsche zit in een dorp met 3500 inwoners. Van het gekozen bestuur aldaar wordt verwacht dat het zaken doet met een concern dat gewend is op een wereldtoneel te spelen. De gemeente mag de vergunningverlenende instantie zijn, gelukkig speelt de VRS een stevige coördinerende rol. Dat doet VRS met een direct democratisch mandaat. Samen met twee andere regionaalverbanden (Hanover en Ruhr) heeft VRS namelijk een direct gekozen assemblee. Volgens Kiwitt is dat een pré, omdat de zaken waar VRS over gaat, expliciet politiek zijn.

Bestemmingswijziging

Het belangrijkste instrument van VRS is het regionale plan. Daarin staan volgens Kiwitt richtlijnen met een juridisch bindende status, waarover niet zelden de degens gekruist worden met gemeenten in de rechtszaal. Zo mogen individuele gemeenten niet zonder instemming van VRS de bestemming van een stuk land wijzigen. Anderzijds heeft VRS niet de bevoegdheid om bestemmingen op te leggen.

Te veel opleggen is ook helemaal niet de intentie van VRS, bezweert Kiwitt, die meer mikt op de kunst van de verleiding: het genereren van draagvlak voor nieuwe ontwikkeling. Dat is best lastig, want traditioneel gezien bestaat de gereedschapskist van de planningautoriteit vooral uit instrumenten om ontwikkeling tegen te houden. “We hebben sterke remmen maar beperkte middelen om dingen mogelijk te maken.” Daarom worden regionale overheden die het regionale plan volgen, beloond met speciale regelingen. De uitvoering hiervan ligt bij de Wirtschaftsförderung Region Stuttgart, de regionale ontwikkelingsmaatschappij die gehuisvest is in het gebouw naast VRS. De vraag is of dat voldoende is, omdat inwoners van Stuttgart Regio nogal verwend zijn, en niet zo van verandering houden. Dat wordt dus nog een hele uitdaging en daarin blijkt maar weer dat Duitsland bar weinig van Nederland verschilt.

Op de vraag hoe de relatie is tussen Stadt Stuttgart en het regionaalverband antwoordde Kiwitt dat dit prima is. Of te controleren of dit echt zo is, zouden we ook Stads Stuttgart moeten vragen. Volgens Kiwitt kan het regiobestuur hete aardappels voor de Stuttgart uit het vuur halen, waar de Stuttgart dankbaar gebruik van maakt. Immers, een kleine gemeente is eerder geneigd te luisteren naar de regio, dan naar de ‘grootstad’. 

Megasites

Bovengenoemde Wirtschafsfördering is de Duitse equivalent van de regionale ontwikkelingsmaatschappij, behalve dat de staat Baden-Württemberg geen aandeelhouder is, maar lokale gemeenten. Volgens Stephanie Fleischmann, hoofd strategie en internationale relaties, heeft de Stuttgart regio geen kavels meer beschikbaar van vijftien hectare of groter. Dan legt de regio het af te tegen een stad als Magdeburg die onderdak gaat bieden aan twee nieuwe megafabrieken van Intel, waarvoor deelstaat Saksen-Anhalt een site van 300 hectare beschikbaar stelde. De vraag is of Stuttgart regio nieuwe megaprojecten (projecten met een minimale investering van 1 miljard euro, een ruimtebeslag van minimaal 100 hectare en werkgelegenheid voor meer dan 1500 mensen en ‘substantiële multipliereffecten’, aldus René Buck in de vorige editie van BT) nodig heeft. “Dat is de discussie nu. Ze passen niet eens in Baden-Württemberg. Het issue is: als het slecht gaat met de reguliere economie en met de autofabrieken, dan kun je achteraf tot de conclusie komen ‘stom dat we het niet hebben gedaan’.”

Fleischmann benadrukt dat de regio een enorme voorraad arbeidskrachten telt met enorm goede ‘productievaardigheden’, ook jongeren, waardoor de blik ook naar de toekomst toe gericht moet zijn op productie. “Maar productie heeft logistiek nodig en daar hebben gemeenten geen ruimte voor, omdat ze zeggen dat logistiek niet veel banen oplevert”, vervolgt Fleischmann.

Waar ook ruimte voor nodig is zijn voorraden, om zo minder kwetsbaar te worden voor haperende aanvoerketens, voegt Thomas Bittner toe.

Campussen

Bittner, projetmanager foreign Trade and Services bij de Industrie- en Handelskammer, doet er nog een schepje bovenop. Hij verzekert dat de productie ‘dramatisch’ zal terugvallen. “Mercedes wil enkel nog focussen op luxeauto’s.” Innovatie biedt een mogelijke ontspanningsroute uit de onvermijdelijke neergang. Zo weet Bittner te vetellen dat Daimler een nieuwe brandstofcelfabriek wil bouwen, net buiten Stuttgart, met belangrijke spin-off-effecten. Het goede nieuws is: de lokale gemeenschap gaf haar fiat aan de benodigde ‘special zoning area’.

Er zijn nog grote uitdagingen. Ook voor innovatie is menskracht nodig. En dat is op het moment, naast ruimte, de grootste knellende factor. Een manier om mensen te trekken is het creëren van goede en inspirerende startup-omgevingen, die een nieuwe generatie aantrekt of bindt. Maar op de geboortegrond van de automobiel lijkt de infrastructuur voor startups nog niet heel erg goed ontwikkeld, erkent ook Fleischman. Ze is recentelijk in de Brainport regio geweest en heeft zich laten inspireren door de grote variëteit aan campussen en innovatieve werklocaties in Eindhoven en omgeving. Hier is nog een wereld te winnen. Inmiddels zijn er projecten in de maak zoals de AI xpress, een startup-accellerator in Böblingen waar de Wirschafsförderung bij betrokken is. Vanwege de lange treinreis van 45 minuten en afwezigheid van een sleutelfiguur is van een aangeboden bezoek afgezien. En andere innovatieve werkomgeving is Arena2036 en de regio investeert ook fors in de waterstofeconomie.

Machines

Arena 2036 staat voor ‘Active Research Environment for the Next Generation of Automobiles’. En dat is precies wat het is, konden deelnemers tijdens een bezoek op de tweede dag met eigen ogen zien. Aangesloten bedrijven (zo ongeveer alles wat er toe doet in Stuttgart) kunnen in de productiehal nabij de universiteitscampus dingen uitproberen. De Arena2036-organisatie zorgt voor de coördinatie. Daarnaast biedt Arena2036 onderdak aan een incubatorprogramma ‘Startup Autobahn’. Organisatie is uitbesteed aan Plug and Play, een accellerator programma-organisator uit Silicon Valley. Arena 2036 kon rekenen op belangrijke overheidssubsidie. De overheid bekostigde niet alleen de bouw van de productiehal, dure machines, maar ook een deel van de exploitatie. Het is wel de bedoeling dat de kosten geleidelijk aan volledig worden gecoverd door de leden. Wat betreft de innovaties zelf: die behoren in eerste instantie toe aan de startups en bedrijven zelf. Maar open innovatie is de norm.

Arena 2036 laat zien dat innovatie niet op afroep beschikbaar is maar een lange adem vergt en bijbehorende (publieke) investeringen. Belangrijkste misschien nog wel is dat de industrie zelf nadrukkelijk betrokken is en toepasbaarheid van innovaties voorop staat. Daarbij wordt in Arena 2036 letterlijk voortgebouwd op het economisch DNA dat de regio sinds 1886 heeft (toen Karl Benz de automobiel zou hebben uitgevonden, om een jaar later in productie te worden gebracht). 150 jaar later moet daar een nieuwe industrie uit voorkomen met Arena 2036 als katalysator.

AI-scan

Twee ontmoetingen in de middag stonden eveneens in het teken van innovatie, allereest de ontwikkeling van artificiële intelligentie op het KI-fortschitszentrum aan het Frauenhofer Institute en afsluitend de ontwikkeling van waterstoftechnologie bij het Zentrum für Sonneenergie- und Wasserstoff-Forschung Baden-Württemberg (ZSW). Interessant ook om te horen is dat de staat van Baden-Württemberg via het KI-fortschitszentrum (de staat is ook de belangrijkste financier) álle ondernemingen in de staat een AI-scan aanbiedt om te kijken in hoeverre AI bedrijfs- en productieprocessen kan optimaliseren. Geen gek idee in een tijd van personeelsschaarste waarom productiviteitsgroei steeds belangrijker zal worden om te overleven.

Meest voorname les uit de ontmoeting met Dr. Marc-Simon Löffler, hoofd van het departement van hernieuwbare energie van ZSW, was dat de regio in staat is boven de energietransitie te hangen en op zoek te gaan naar wat Duitsland écht kan bijdragen. Zo constateert Löffler dat het niet aannemelijk is dat Duitsland zelf een grote producent van (groene) waterstof wordt. De zonnekracht en beschikbare ruimte zijn te beperkt. Daarom wordt nu alles op alles gezet om nieuwe electrolyzers te produceren met het hoogste rendement, voor de export, naar bijvoorbeeld Australië. Dat heb je het dus feitelijk over een nieuwe maakindustrie, aansluitend bij het economische DNA.

Urbanes Gebiet

Een bezoek aan de productiefaciliteit van Wittenstein in Fellbach op de derde dag completeerde de reis. Het bezoek startte met een rondleiding door een bedrijvengebied waar de huizen nooit ver van verwijderd zijn. Het is één van de proeflocaties van de IBA2027 dat de ‘productieve stad’ als een van de thema’s hanteert. IBA-projectleider en architect Grazyna Adamczyk-Arns introduceerde een nieuw soort planningsconcept dat in dit kader zeer relevant is: het Urbanes Gebiet. Urbanes Gebiet is sinds 2017 in het Duitse bouwrecht een gebied dat waar zowel gewoond mag worden alsook commerciële ondernemingen en sociale, culturele en ander voorzieningen geplaatst mogen worden die de woonomgeving niet significant verstoren. In tegenstelling tot in het Mischgebiet (gemengd gebied) hoeft het gemengde gebruik niet in evenwicht te zijn (meer informatie:  https://de.wikipedia.org/wiki/Urbanes_Gebiet)

Het thema productieve stad is uit nood geboren. De stad heeft productie nodig om economisch te kunnen voorbestaan en de industrie heeft de stad nodig voor het aantrekken en behouden van personeel. Het uit elkaar trekken van die functies is al lang niet meer het ideaal.

Aantrekkelijk blijven voor personeel was één van de motieven van Wittenstein, een producent van aandrijfsystemen, om een nieuwe faciliteit in een stedelijke omgeving, dicht bij een S-bahn station, neer te zetten. Het vergde wel de nodige investeringen in geluidsbeperking en faciliteiten om vrachtwagens binnen te kunnen lossen. Maar de investering betaalt zich uit. Wittenstein heeft de mogelijkheid om uit te breiden op de locatie. Maar dan is een aantrekkelijke locatie niet meer voldoende om aan personeel te komen, omdat er domweg niet voldoende personeel is. Daarom mikt fabrieksdirecteur Christoph Herz op verregaande productiviteitsgroei door automatisering waardoor in de nieuwe plant 30 procent minder personeel nodig is.

Region Stuttgart in zeven lessen

1. Meer bestuurlijke coherentie zorgt voor meer economische slagkracht!

De regio is bestuurlijk zwaar versnipperd maar compenseert dit met een sterk regiobestuur met een gekozen assemblee;

2. Borg ruimte voor werken regionaal af!

Lokale overheden kunnen niet zomaar en bestemmingsverandering doorvoeren zonder fiat van het regiobestuur. Daarmee kan kostbare ruimte voor werken worden geborgd;

3. Stick to your DNA!

Het DNA van Stuttgart zit ‘m in de ‘productievaardigheden’ van de mensen in de regio. Het is in dat opzicht geen gekke gedachte dat de regio ervoor kiest te investeren in de productie van elektrolyzers voor de exportmarkt, en niet zozeer waterstof zelf.

4. Industriepolitiek vergt een lange adem!

Ondertussen investeert Stuttgart ook sterk in innovatie, als onderdeel van een bredere landelijke industriepolitiek. Wat opvalt is dat er strategisch gekozen wordt, samen met het bedrijfsleven, en er een lange adem is. Ook aardig om te zien hoe de staat AI-scans aanbiedt aan bedrijven. Met het oog op productiviteitsgroei geen gek idee.

5. Huisvesting is geen bedreiging, maar een kans op personeel te binden!

In Fellbach is te zien hoe Wittenstein woongebieden niet uit te weg gaan, maar expliciet kiest voor een stedelijke omgeving om aantrekkelijk te blijven voor personeel.

6. Innovatieve werkomgevingen zijn goud waard. Maar zorg wel voor output!

Stuttgart is goed in produceren en repeteren. Innoveren en improviseren is iets waar de Duitsers minder goed in zijn. En dat moeten ze misschien wel doen om geen Detroit te worden. De benodigde infrastructuur van campussen en innovatieve werklocaties lijkt nog onderontwikkeld. Anderzijds is in Arena2036 te zien dat innovaties ook direct toepasbaar zijn. In die zin zijn de Duitsers ook wel weer aanstekelijk no-nonsense.  

7. Laat het regiobestuur het vuile werk opknappen!

Tot slot kunnen we uit Stuttgart leren dat er een alternatief is voor regionale samenwerking: regionale coördinatie door een sterk regiobestuur dat beslissingen neemt dit een kleine gemeenten niet durft te nemen: bijvoorbeeld het behouden van ruimte voor werk.

 

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Voorkomt de smart energy hub een dreigend stroominfarct?

Nieuws

Nieuws

Voorkomt de smart energy hub een dreigend stroominfarct?

Steeds meer bedrijven die hun energievoorziening verduurzamen lopen tegen de capaciteitsproblemen van het stroomnet aan. In verschillende gebieden is zelfs geen aansluiting meer mogelijk voor nieuwkomers of uitbreidingen. Zijn decentrale smart energy hubs de oplossing voor het stroomprobleem?

Jarenlang voerde SKBN een moeizame lobby om de verduurzaming van bedrijventerreinen en de energietransitie aldaar op de agenda te krijgen van bestuurlijk en ondernemend Nederland. Van alle groene stroom die we in 2030 willen opwekken, kan 14 procent worden behaald door bedrijfsdaken vol te plempen met zonnepanelen, vormde de boodschap. Ook zat Theo Föllings in de voorhoede van mensen die opriepen om de elektriciteitsnetten te verstevigen zodat bedrijven dat potentieel beter kunnen benutten.

Bezwijkend stroomnet

Inmiddels heeft de SKBN-voorzitter geen moeite meer zijn boodschap voor het voetlicht te brengen. Het bewustzijn is groot. Vooral omdat het capaciteitsprobleem op het stroomnet de afgelopen twaalf  maanden verontrustende trekken krijgt. Paradoxaal genoeg door de torenhoge energieprijzen en de toenemende urgentie van het  klimaatvraagstuk, waardoor zonnepanelen niet meer aan te slepen zijn. Zo dreigt het stroomnet ook te bezwijken onder de energietransitie om de klimaatopwarming te beperken.

Nederland kleurt rood

Een steeds groter deel van de twee congestiekaartjes die de gezamenlijke netbeheerders op internet publiceren, kleurt dan ook rood. Het ene kaartje heeft betrekking op de afnamemogelijkheden van zelfopgewekte stroom. Het andere kaartje betreft de mogelijkheden om überhaupt een nieuwe aansluiting te krijgen. ‘Als je de beide kaartjes over elkaar legt, kleurt een flink deel van Nederland inmiddels rood’, weet Föllings. ‘Rood betekent dat er eigenlijk niets meer mogelijk is. De komende tijd zal Nederland alleen maar roder worden.’

Rapport Savills

Vastgoedadviseur Savills kwam recentelijk zelfs met een alarmerend rapport waaruit blijkt dat inmiddels in drie Nederlandse regio’s aanvragen voor aansluitingen op het stroomnet voor nieuwe distributiecentra worden geweigerd. In de gebieden rond luchthaven Schiphol en de regio’s rond Amsterdam en Waddinxveen-Bleiswijk is er te weinig capaciteit op het elektriciteitsnet om nog nieuw logistiek vastgoed te bouwen met een aansluiting op het reguliere stroomnet. Dat uitgerekend Amsterdam en omgeving dik in de problemen zitten, komt ook door de hoge concentratie datacenters, ware energieslurpers immers.

Ronduit zorgwekkend

De gevolgen van de netcongestie zijn inmiddels ronduit zorgwekkend en beperken zich beslist niet tot de logistieke sector of de industrie. Ook de woningbouw loopt gevaar. Zo moet Amsterdam 200.000 woningen bijbouwen om de woningnood aan te pakken. Tegelijkertijd wil de stad in 2040 fossielvrij zijn. Daardoor neemt de vraag naar elektriciteit zo sterk toen, dat het stroomnet eronder bezwijkt als er niet snel extra kabels bijkomen. Netbeheerder Liander, verantwoordelijk voor de aansluitingen in de hoofdstad, spreekt van ‘een perfecte storm’, schreef het FD onlangs.

Andere regio’s

In drie andere regio’s, Eindhoven, Tilburg-Waalwijk en Zaltbommel-Tiel-Geldermalsen, is de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk ook zeer beperkt. Als aanvragen voor een aansluiting worden geweigerd, is het in theorie nog wel mogelijk om een nieuw distributiecentrum of productiebedrijf te plaatsen. Maar zo’n locatie moet dan zelf zorgen voor de toevoer van elektriciteit, bijvoorbeeld door die zelf ter plekke op te wekken met zonnepanelen. Volgens vastgoedadviseur Savills kan dit de komst van nieuwe distributiecentra beperken.

Lange wachttijden

Volgens Savills is in ruim een derde van de gemeenten nauwelijks of geen plek meer. De problematiek op het stroomnet is groot, stelde Niek Poppelaars van Savills ronduit tegen BNR. ‘In de ene gemeente zorgt dat voor lange wachttijden, zo moet je in de regio Schiphol vier tot vijf jaar wachten op een aansluiting. Terwijl de gemeente Eindhoven voorrang geeft aan bedrijven in de techsector, waardoor andere er maar beperkt terecht kunnen.’

Projecten worden uitgesteld of zelfs helemaal geannuleerd, merkt Poppelaars. ‘Bedrijven kijken om zich heen en wijken in het uiterste geval uit naar landen als België en Duitsland.’ Behalve dat het ons vestigingsklimaat onder druk zet, komen ook onze duurzaamheidsambities in gevaar, zei directeur Kees Noorman van de Amsterdamse ondernemersvereniging Oram tegen BNR. Tot en met 2027 zit het stroomnetwerk van onze hoofdstad grotendeels vol.

Dure kabel

Ook Limburg ondervindt problemen met het stroomnet. Volgens Managing Director Léon Vié moet zijn logistiek vastgoedbedrijf P3 Logistic Parks voor de aansluiting van een groot zonneproject op het 99.000 m2 omvattende distributiecentrum in Echt uit eigen zak een kostbare kabel betalen naar een 11 kilometer verderop gelegen stroomverdeelstation. Dit omdat netbeheerder Enexis ter plekke over onvoldoende capaciteit beschikt. ‘Die extra kosten zijn niet eens het grootste probleem. Echt vervelend is dat we nog twee jaar moeten wachten voordat die kabel er eindelijk ligt. Enexis moet eerst tot overeenstemming komen met alle grondeigenaren.’

Waarom kiest P3 niet voor eigen opslag met een batterij? Volgens Vié zijn batterijen nog niet bedrijfseconomisch verantwoord voor een individueel distributiecentrum. ‘Om helemaal zelfvoorzienend te zijn, is kwantiteit nodig. Een oppervlakte van 250.000 m2 vormt het minimum. Maar de techniek gaat gelukkig snel.’

En samenwerking met de buren? ‘Dat zou ook een oplossing kunnen zijn’, stelt hij bedachtzaam. ‘Maar vorig jaar, toen we deze beslissing namen, was er weinig animo. Sinds de verdrievoudiging van de energieprijzen door de oorlog in Oekraïne ligt dat anders.’

Grote ambities

Aan ambities in de logistieke vastgoedwereld is in ieder geval geen gebrek. Zo wil logistiek vastgoedbedrijf WDP zijn hoeveelheid zelfopgewekte zonne-energie de komende jaren bijna verdrievoudigen. Het in Amsterdam en Brussel genoteerde WDP bezit een portefeuille van 6 miljoen vierkante meter, waarvan de helft in Nederland, en is al sinds 2007 met zonnepanelen in de weer. De huidige capaciteit bedraagt 95 megawatt, goed voor de stroomvoorziening van een middelgrote stad zoals Leiden. Dat moet naar 250 megawatt in 2025. ‘Voor 2021 was de zon goed voor 5,4 procent van de WDP-inkomsten. ‘Daarmee is de zon onze grootste huurder. Die bijdrage zal ook nog wel in relatieve zin verder groeien tot zo’n 7 procent, maar toch beperkt omdat de hele portefeuille groeit.’, stelt ceo Joost Uwents.

Wat merkt WDP van de capaciteitsproblemen in Nederland? Uwents: ‘De knelpunten spelen voor ons vooral bij Schiphol. We hebben daar drie distributiecentra. Mochten we een vierde willen aansluiten op het elektriciteitsnet dan kan dat de komende jaren niet. Nieuwe aansluitingen zijn daar niet mogelijk tot 2025. De problemen hangen vooral samen met de grote hoeveelheid datacenters in die regio. In andere delen van Nederland ondervinden we zelf nog geen grote problemen. Maar het is wel bijna overal in Nederland een groeiend probleem.’

Eigen opslag

WDP wil tot 2025 elk jaar 50 megawatt toevoegen. Hoe denkt de Belgische onderneming dat te realiseren gezien de knelpunten op het net? ‘Door meer zelf te doen. Door beter te kijken hoe we de zelf opgewekte energie kunnen inzetten voor onze gebruikers en door ook aan de eigen opslagcapaciteit te werken. Tegelijkertijd zal de vraag van onze klanten naar elektriciteit ook sterk toenemen, omdat straks alles gasloos moet om maar eens een Nederlands modewoord te gebruiken. En vanwege de elektrificatie van het wagenpark. Niet alleen personenauto’s en bestelbusjes worden elektrisch, maar ook de trucks. De opslagtechnologie evolueert snel. Daar willen we straks volop gebruik van maken voor onze bestaande portefeuille.’

Toekomstbestendig net

De huidige regering wil onze energie-netwerken in deze kabinetsperiode toekomstbestendig maken. Ze richt zich daarbij op verzwaring van het elektriciteitsnetwerk en de bouw van een waterstofnetwerk. Dat kost veel tijd en geld. De gezamenlijke netbeheerders geven tot 2030 ongeveer 40 miljard euro aan de verbeteringen. Grote tekorten aan technici, lange realisatietermijnen en regelgeving belemmeren bovendien snelle verzwaring en aanpassing van het net. Ook kunnen domweg niet overal tegelijk de straten open.

‘Het probleem is dat die extra capaciteit pas op z’n vroegst over vijf jaar beschikbaar komt’, spreekt de SKBN-voorzitter Föllings zorgelijk. ‘In de tussenliggende tijd dreigen we in een vicieuze cirkel te belanden.’

Ondanks deze ongekende problemen – Nederland klopte zichzelf tot enkele jaren geleden zelfs graag op de borst vanwege de ‘geweldige kwaliteit’ van het eigen stroomnet – is Föllings toch optimistisch. ‘Wij zitten in een overgangstijd van fossiele naar duurzame energiebronnen, waarin verschillende zaken nu tegelijkertijd samenkomen en we nog niet de oplossingen gereed hebben. Maar onder druk wordt alles vloeibaar.’

Enorme potentie

Volgens Föllings zijn zonnepanelen slechts een van de vele middelen voor de verduurzaming van bedrijventerreinen. ‘Op bedrijventerreinen ligt een enorme potentie voor het oprapen. Denk bijvoorbeeld ook aan warmte-koude systemen, zonne-energie en opslagsystemen zoals batterijen. Maar ook nieuwe systemen rond waterstof, (op-)windsystemen dragen vast en zeker in de toekomst bij. Maar we moeten wel bereid zijn te bukken. Dat geldt zowel voor de overheid als het bedrijfsleven.’

Proeftuin smart energy hubs

Volgens hem moet de oplossing voor het capaciteitsprobleem dan ook mede gezocht worden in decentrale, maar geïntegreerde smart energy hubs. Dergelijke micro-grids combineren de verschillende duurzame energievormen zoals warmte koude opslag, zonne-energie en waterstof en beschikken over eigen opslagcapaciteit in grote batterijen, die waar mogelijk ook gebruikt kunnen voor bijvoorbeeld elektrische binnenvaartschepen en het vrachtvervoer over de weg.

In zijn dagelijkse werk als manager Business Development bij de Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland is Föllings nauw betrokken bij de plannen om Gelderland en Overijssel tot proeftuin te maken voor deze regionale smart energy hubs. Inmiddels zijn acht projecten geïdentificeerd waaronder bedrijventerrein InnoFase in Duiven en Hessenpoort in Zwolle. Ook is er een fonds opgericht om de projecten te financieren. Per project is circa 10-20 miljoen euro nodig. Maar ook andere voorbeelden elders in Nederland geven aan dat decentrale energiesystemen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie.

Infarct voorkomen

Wat de metro is voor het openbaar vervoerssysteem, is een smart energy hub voor het energiesysteem: een aanvulling op de hoofdinfrastructuur, die regionale vraag en aanbod verbindt en een infarct voorkomt, legt hij enthousiast uit. De kern van een smart energy hub is een slim sturingssysteem dat de opwek, opslag en het gebruik van duurzame energie regisseert. Een lokaal netwerk koppelt opwek direct aan gebruik, waardoor het hoofdnet wordt ontzien. De ongelijktijdigheid van aanbod en vraag wordt opgevangen door opslag in batterijen en waterstof.

De smart energy hub is bovendien een schaalbaar concept, zowel qua omvang van een hub als qua aantal hubs. De beste locatie voor een smart energy hub is volgens Föllings daar waar grootschalige energievraag en -aanbod bij elkaar komen, zoals een bedrijventerrein of een haven.

Schiphol Trade Park

Directeur Jan Verheij van Joulz, aanbieder van integrale energie-infrastructuren en -diensten, gelooft ook in decentrale energiesystemen. Joulz is via zijn opdrachtgever, logistiek vastgoedbedrijf Intospace, betrokken bij een uniek initiatief op Schiphol Trade Park in Hoofddorp. Intospace leverde daar dit voorjaar een nieuw distributiecentrum op van 55.000 m2 en 6.500 m2 tussenvloer dat als eerste in Nederland geheel zelf kan voorzien in de eigen energiebehoefte.

Geen beletsel

‘Met deze ontwikkeling laten we als Intospace zien dat het probleem van de congestie van het publieke elektriciteitsnet niet hoeft te betekenen dat er geen nieuwbouwprojecten kunnen worden gerealiseerd’, sprak Intospace-ceo Tim Beckmann trots bij de oplevering. ‘Door in samenwerking met Joulz een gebouw te ontwerpen en te ontwikkelen dat niet of nauwelijks afhankelijk is van het publieke net, hebben we een uiterst toekomstbestendig pand opgeleverd.’

In totaal telt het nieuwe distributiecentrum ruim 20.000 zonnepanelen. Een deel van die stroom wordt opgeslagen in de twee containerbatterijen die het pand telt. De elektriciteitsvoorziening wordt voor de zomer opgeleverd door Joulz.

Energiecollectief

Het pand krijgt zijn elektriciteit vanuit de eigen opwekking en is daarbij tevens aangesloten op het onlangs opgerichte Energiecollectief Schiphol Trade Park. Binnen dat collectief, geïnitieerd door gebiedsontwikkelaar SADC, delen vijftien bedrijven hun ongebruikte stroomcapaciteit via een virtuele laag met elkaar. ‘Een binnen Europa unieke samenwerkingsvorm’, aldus Verheij . Op Schiphol Trade Park konden vanwege de netcongestieproblematiek niet alle vijftien bedrijven die zich wilden vestigen stroom afnemen.

De vier ondernemingen die als eerste een bouwvergunning hadden, konden nog een aansluiting aanvragen bij netbeheerder Liander. In het energiecollectief gaan vijftien bedrijven de beschikbare netcapaciteit delen. Dankzij een combinatie van eigen energieopwekking en het uitwisselen van stroom hebben ze maar vier aansluitingen nodig. De combinatie van eigen opwekcapaciteit en de onderlinge samenwerking borgt de leveringszekerheid op het gebied van stroom.

Het nieuwe distributiecentrum is door meerdere lagen van leveringszekerheid altijd verzekerd van stroom. Het pand kan volledig ‘off-grid’ opereren. Een slim energiemanagementsysteem zorgt ervoor dat steeds weer de beste keuze wordt gemaakt over waar de stroom vandaan wordt gehaald (zonnedak, batterij, collectief of generatoren) en waar de stroom voor wordt gebruikt.

Voorbeeld voor de toekomst

‘Dit project is nu nog uniek in Nederland. Het is een mooie combinatie van bewezen technologie, met nieuwe innovatieve oplossingen en een intensieve samenwerking’, aldus Verheij van Joulz. Oplossingen die hier zijn bedacht, zijn volgens hem ‘een voorbeeld voor de toekomst’, waarin het draait om het optimaliseren van de energiebalans, ofwel gebruik en productie. En dan zonder dat de gebruiker hier iets van merkt. Dit kan voor ieder project of locatie, individueel, maar zeker en bij voorkeur ook in samenwerking met de omgeving; zoals de gebiedsontwikkelaar, omliggende bedrijven en de netbeheerder.

Bron: Vastgoedmarkt
 

Lees verder

Opinie

card image

Column van Theo Föllings

Opinie 'Breng niet bewoners, maar bedrijven naar de binnenstad'

Opinie

Column van Theo Föllings

Opinie 'Breng niet bewoners, maar bedrijven naar de binnenstad'

Lege panden in het centrum ombouwen naar woningen? Niet doen, vindt Theo Föllings, want dan wordt de binnenstad een dooie boel. Geef bedrijven juist meer de ruimte. 

Vorig jaar becijferde de Rabobank dat in overtollig winkelvastgoed circa 10.000 tot 20.000 woningen te realiseren zijn. Een druppel op een gloeiende plaat als je uitgaat van een bouwopgave van één miljoen woningen.

Om leegstand tegen te gaan, lijkt transformatie naar wonen niettemin een effectieve oplossing, want de vraag naar woonruimte is erg groot. Maar gemeenten hopen met deze ingrijpende verandering ook de leefbaarheid van winkelgebieden te vergroten. Het vorige kabinet reserveerde hier nog 100 miljoen euro voor. Minister Micky Adriaansens van economische zaken en klimaat bevestigde onlangs dat die regeling binnenkort wordt opengesteld.

Sinds de Middeleeuwen

Maar gemeenten die dit budget effectief willen inzetten, moeten zich realiseren dat binnensteden in eerste instantie economische centra zijn. Dit zijn ze al sinds de Middeleeuwen en daar is in al die eeuwen niets in veranderd. Toch bleek uit een enquête die vlak voor de pandemie onder 107 gemeenten werd afgenomen, dat die gemeenten de oplossing voor kwakkelende stads- en dorpscentra vooral zoeken in cultuur, toerisme, zorg, diensten, onderwijs en bij bewoners. Ook in het maatschappelijk debat over onze (binnen)steden lijkt sprake van een blinde vlek voor de betekenis die juist bedrijven kunnen spelen in de verlevendigen van stads- en dorpscentra.

Diverse deskundigen, onder wie de rijksbouwmeester, pleiten voor een groen-, recreatief-, woon-stadscentrum. En dat zijn allemaal nobele doelen, maar ze doen zowel bedrijven als (binnen)steden tekort.

Onze steden kampen met een ernstig tekort aan ruimte voor bedrijven. De afgelopen vijf jaar alleen al verdween een oppervlakte van 46 vierkante kilometer aan bedrijventerreinen, vaak omdat er woonwijken kwamen. Dat wonen goed mixt met een typische binnenstadfuncties, is een notoir misverstand. Wonen is geen economische activiteit, maar een relatief besloten privé-bezigheid. Bewoners vinden rust meestal belangrijk, wat zich slecht verhoudt tot de drukte van het centrum.

Ga op een willekeurige dag eens naar een willekeurige woonwijk: zelfs waar duizenden mensen verblijven is het over het algemeen heel rustig. En dat willen de bewoners ook. Zij hebben hooguit behoefte aan een supermarkt in de wijk, maar niet automatisch aan voorzieningen als cafés, daarvoor gaan ze juist naar het centrum.

Broodje in het centrum

Terwijl werken en winkel- en vrijetijdsfuncties elkaar wél goed aanvullen. Werknemers kunnen in het centrum terecht voor een broodje of gewoon een bezoek aan een winkel. Voor (toevallige) ontmoetingen die niet op het kantoor zelf (kunnen) plaatsvinden biedt het centrum alle gelegenheid. De werkweek kan informeel worden afgesloten in een kroeg om de hoek. Als het licht in de winkels en kantoren uitgaat, gaat de avondstad aan.

Daarbij, digitalisering maakt de aantrekkingskracht van binnensteden als werk- en ontmoetingsplek alleen maar groter. Zo trekken bedrijven nu van de Amsterdamse Zuidas naar de binnenstad. Ze geven voorkeur aan een stedelijke omgeving, want dat willen hun werknemers. Centrumbeleid zou meer gericht moeten zijn op het aantrekken van nieuwe economische functies in plaats van de nadruk die nu nog ligt op transformatie naar wonen en voorzieningen.

Opinieartikel door Theo Föllings, voorzitter van SKBN in Trouw

Lees verder

Nieuws

card image

Nieuws

Expertadviezen aan De Jonge: ‘Maak van woonopgave een woon-werkopgave’

Nieuws

Nieuws

Expertadviezen aan De Jonge: ‘Maak van woonopgave een woon-werkopgave’

Eén miljoen huizen en 5.530 tot 9.370 hectare extra bedrijfsruimte tot 2030 krijg je niet weggezet op de schaarse ruimte die we in Nederland hebben, zolang we wonen en werken als losse opgaven beschouwen, ook omdat de miljarden voor de woningbouwimpuls érgens verdiend moet worden. Dat is de toon van expertreacties op een rondgang door Stadszaken.

Onder druk van woningbouwplannen komt cruciale werkgelegenheid die zorgt voor praktische banen in de verdrukking op bedrijventerreinen als de Achtersluispolder in Zaandam, Bickhorst in Den Haag en Schieoevers in Delft. Werkgevers beklaagden zich in het Financieele Dagblad dat hen geen alternatief geboden wordt, of ze moeten verkassen naar de Flevopolder. In plaats daarvan pleiten werkgevers voor de bouw van méér huizen in de Almere, zodat zij niet hoeven te wijken voor nieuwe woningen. Voor Stadszaken was het aanleiding om een rondgang langs experts te doen, met de vraag: Wat moet VRO-minister Hugo de Jonge doen om ruimte voor werken in de stad te garanderen?

Theo Föllings, Voorzitter SKBN: ‘Meer ruimte voor economie en maatschappij in de stad’

‘Het is goed om te zien dat nu ook het FD het onderwerp dynamiek in de stad in het vizier heeft en zelfs op de voorpagina heeft geplaatst. Het is een issue dat de stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (kortweg SKBN) al geruime tijd aan het agenderen is, op tal van burelen. Met het voorbeeld uit Zaanstad heeft het FD een mooie case uitgewerkt waarin precies het dilemma wordt weergegeven waar de wethouders nu maar ook na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 mee worden geconfronteerd. En dit probleem speelt zich niet alleen af in Zaanstad maar in zeer veel gemeenten in Nederland.

De kern van het grote dilemma is dat we op korte termijn een probleem oplossen inzake de woningbouw, maar op lange termijn de economische dynamiek en broodnodige werkgelegenheid vernielen en de stad uitjagen. Treffend om te zien dat letterlijk een groot aantal banen ook verloren gaan. Het zijn juist die banen die we hard nodig hebben aan de onderkant van de arbeidsmarkt. En de uitdaging circulaire economie vraagt ook om diezelfde bedrijfsruimte.

Om dat op lange termijn te herstellen en alternatieven te zoeken is een kostbare zaak. Natuurlijk vormt woningbouw een issue, daar sluiten we onze ogen niet voor, maar het begrip cost of onwership en een meer maatschappelijke kosten-baten0analyse zou hier op zijn plaats zijn.

Binnenkamers bij de SKBN wordt ook wel eens gemopperd ‘die eerste en tweede miljard voor de woningbouw-impuls moet nog steeds ergens verdiend worden’. Laten we goed kijken naar alternatieven en de handen ineenslaan om te komen tot een integrale afweging van dit soort ruimteclaims. Voor meer relevante adviezen over bedrijfsterreinen, logistieke terreinen en Smart energy hubs terreinen verwijs ik naar het SKBN manifest: waarde voor economie én maatschappij.’

Lisette van der Kolk, adviseur Integrale Gebiedsontwikkeling bij TwynstraGudde: ‘Tweedeling tussen inwoners dreigt’

‘De nieuwe minister voor VRO heeft heel wat op zijn bordje. Wat vaststaat is dat in de beperkte ruimte in de stad naast bestaande functies ook nieuwe grote opgaven ruimte claimen – denk aan de energietransitie of klimaatadaptatie. In combinatie met de enorme woningbouwopgave moeten bestaande functies van de stad, zoals werken, zeker niet worden vergeten.

Met name de ruimte voor de maakindustrie neemt af nu bijna alle steden bezig zijn om bedrijventerreinen te transformeren naar woningbouw. Vroeger was het noodzakelijk om de fabrieken naar de rand van de stad te verplaatsen, vanwege de vervuiling die de maakindustrie veroorzaakt. Nu zijn vooral de steeds hoger stijgende vierkantemeterprijzen door het tekort aan woningen de oorzaak. Het is extreem lastig om nieuwe ruimte voor bedrijvigheid te vinden, maar ook om de bestaande plekken te behouden. Bedrijventerreinen staan onder druk, met als gevolg dat werkplaatsen de stad uit worden geduwd.

Maar let op, want de maakindustrie in de stad heeft een belangrijke economische functie. Het zorgt ervoor dat een diverse groep inwoners in eigen stad aan het werk kan en is daarmee een belangrijke aantrekkingskracht. Er dreigt een tweedeling tussen inwoners die een baan vinden in kantoorachtige omgeving in de stad en inwoners die werken in de maakindustrie en geconfronteerd worden met steeds grotere reisafstanden naar hun werk.

Wat zou helpen om dit negatieve effect te voorkomen is een meer integrale benadering. Het uitgangspunt daarbij is dat ruimtelijke opgaven met elkaar verbonden zijn. Zoals bijvoorbeeld de leefbaarheid van een stad, voldoende aanbod aan divers werk, het welzijn van bewoners, de bereikbaarheid en het realiseren van betaalbare woningen. Om dat te bereiken moet het Rijk meer regie nemen binnen het ruimtelijk domein. Werk minder met sectorale doelen voor de energietransitie, klimaatadaptatie of woningbouw. Het gaat er bij gebiedsontwikkeling in de stad om dat de verschillende opgaven in samenhang met elkaar worden bekeken en afgewogen. En ja, ook werken is daar een belangrijk aspect in.’

Gerlof Rienstra, Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies: ‘Werken plaatsen bij wonen, voor zover mogelijk’

‘Ruimte voor bedrijven in de categorieën industrie, bouw, logistiek en niet te vergeten circulaire activiteiten die zich lastig verhouden tot de functie wonen, moet geborgd blijven. Het is daarom belangrijk dat daarvoor geschikte werklocaties blijven bestaan.

Bovengenoemde bedrijventerreinen zijn met een maximale milieucategorie 4 voor zogenaamde hoge milieucategorie (HMC)-bedrijven. Het zijn vaak beton- en asfaltcentrales die op de schopstoel zitten, omdat die aan kades gevestigd zijn met relatief veel milieuhinder zoals geur, geluid en transportbewegingen per schip of vrachtwagen. Het is nog niet precies te zeggen hoeveel bedrijven moeten wijken, omdat er nog met bedrijven onderhandeld wordt. Wel is op Schieoevers inmiddels een nieuw bedrijfsverzamelgebouw in het voormalige NKF-pand (Nederlandse Kabelfrabriek, red.) gevestigd. Dus daar komen juist bedrijven bij.

Uit het Vestigingenregister van de gemeente Zaanstad blijkt dat op Achtersluispolder 106 van de 190 bedrijfsvestigingen écht op een terrein als deze horen (industrie, bouw en logistiek, red.). Daarnaast zijn op Achtersluispolder veel adviesdiensten, financiële- en facilitaire diensten, detailhandel en horeca gevestigd. Die hadden in principe ook elders kunnen zitten.

Landelijk worden HMC-industrieterreinen overigens voor 80 procent ‘bevolkt’ door bedrijven met een milieucategorie onder de 4. Er is landelijk dus sprake van een significante onderbenutting van milieuruimte op dit soort terreinen. Bedrijven die eigenlijk niet op zo’n HMC-terrein thuishoren, zou je in theorie kunnen uitplaatsen en integreren in nieuwe woon-werkgebieden, al dan niet gestapeld.

Op de ruimte die je daarmee vrijspeelt op HMC-terreinen, kunnen nieuwe HMC-bedrijven geplaatst worden. Mocht er ruimte over zijn, dan is het misschien mogelijk een gedeelte te transformeren naar wonen. Er vinden ook natuurlijke mutaties plaats, waarbij de eigenaar of gebiedsregisseur de mogelijkheid heeft meer te sturen op herverkaveling en locatieruil als gevolg van deze mutaties. Dat moet marktconform opgelost kunnen worden! Het kost wel tijd.

Vanuit ruimtelijk-economisch perspectief is vooral belangrijk dat werken bij het wonen wordt geplaatst. Dus als de woonopgave in de metropoolregio Amsterdam grotendeels wordt voorzien in Almere, dan zal ook het werken mee moeten verhuizen. Anders wordt het mobiliteitsprobleem op de A6/A1/A10 Noord alleen maar groter.

Waar het mogelijk is zal de functiescheiding tussen wonen en werken kunnen worden opgeheven. Ook financieel-economisch is dat interessant. Zo blijkt uit cijfers die ik in a2019 voor de provincie Zuid-Holland bestudeerd heb dat functiemening van werken – alleen met wonen of ook met andere gebruiksfuncties samen – in een aantal economische sectoren resulteert in hogere huur-, koop- en grondwaarde van vestigingslocaties.’

Lees verder