In Weesp heeft ondernemer Leon van Ooijen (Bloomstudios) zijn bedrijventerrein aan de IJsselmeerlaan omgetoverd tot een groene en klimaatbestendige plek. Wat begon als een persoonlijke missie, groeide uit tot een inspirerend project waar meerdere ondernemers aan meedoen. Zijn aanpak laat zien hoe vergroening niet alleen de natuur, maar ook de uitstraling van een bedrijventerrein kan verbeteren.

Zonder insecten geen toekomst

Voor Leon begon alles met een moment van bewustwording. “In de zomer van 2022 hadden we bijna geen drinkwater meer. Dat zette me aan het denken. En mijn tweede moment van bewustwording was toen ik terugkwam van vakantie. Vroeger toen ik met mijn ouders terugkwam van vakantie zat de voorruit vol insecten. Nu zie je er nog maar een paar. En dat is zorgelijk, want zonder insecten hebben we geen toekomst.”

Die zorgen motiveerden hem om in actie te komen. “Stress zonder actie blijft stress, maar stress met actie geeft hoop. Ik weet dat mijn project de klimaatcrisis niet oplost, maar het geeft me wel een gevoel van binding met de plek waar ik werk. En door groen te planten, win je sowieso: het is mooier, gezonder en beter voor de natuur.”

Andere ondernemers betrekken

Leon besloot niet alleen zijn eigen terrein te vergroenen, maar ook andere ondernemers erbij te betrekken. “Ik ben langs de deuren gegaan bij bedrijven waarvan de entree wat gedateerd was. Dan kan het alleen maar mooier worden, en dat willen ondernemers graag. Je entree is tenslotte je visitekaartje.”

Als architect maakte Leon ontwerpen en visualisaties om zijn plannen tot leven te brengen. “Het helpt enorm om mensen te laten zien hoe het eruit kan zien. Dat maakt ze enthousiast. En als je dan ook nog uitlegt dat het niet alleen mooier wordt, maar ook bijdraagt aan biodiversiteit, dan krijg je ze mee.”

Van idee naar uitvoering

Met hulp van de subsidie Groenblauw van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en eigen investeringen ging Leon aan de slag. Hij koos voor praktische en kostenbesparende oplossingen, zoals beplanting aanschaffen via marktplaats en het hergebruik van bestaande stenen voor een waterdoorlatende bestrating. “Ik heb op mijn eigen terrein getest of de bestrating stevig genoeg was. Bestelwagens reden eroverheen, en na 4 maanden lag alles nog perfect. Dat gaf vertrouwen, ook bij andere ondernemers.”

Daarnaast werden zwarte elzen geplant, bomen die passen bij de bodem en straks schaduw bieden. “De bomen waren flink toegetakeld bij het uitgraven. Mijn compagnon grapte dat ze nooit zouden aanslaan. Maar in juni, na maanden wachten, kwam het eerste groene sprietje. Dat was echt een moment van opluchting en trots.”

Een groen bedrijventerrein

Het resultaat mag er zijn: een bedrijventerrein met groene bomen en borders die insecten aantrekken. “Het is nu een plek waar vlinders en bijen zich thuis voelen. En het ziet er gewoon veel aantrekkelijker uit. Klanten en huurders reageren positief. Ze zien mij hier aan het werk en geven soms zelfs tips of delen hun eigen ervaringen. Dat zorgt voor verbinding.”

Uitdagingen en lessen

Het project ging niet zonder hobbels. “We begonnen met 6 ondernemers, maar uiteindelijk haakten er 2 af. De een kreeg het intern niet rond, de ander wilde wachten tot een verbouwing. Dat is jammer, want hoe meer bedrijven meedoen, hoe zichtbaarder het wordt in het straatbeeld.”

Ook het vinden van geschikte bomen was een uitdaging. “Ik wilde inheemse bomen, maar volwassen exemplaren zijn moeilijk te vinden. Uiteindelijk heb ik via Marktplaats een paar bomen kunnen kopen. Het is een kwestie van creatief zijn en niet te snel opgeven.”

Toekomstplannen en advies

Leon is nog lang niet klaar. “Ik werk nu met een groep mensen aan een voedselbos. Dat is een heel ander soort project, maar net zo leuk. Je bouwt samen iets op en leert van elkaar.”

Zijn advies aan andere ondernemers die willen vergroenen? “Gewoon beginnen. Je hoeft niet alles in één keer te doen. Start met iets kleins, zoals een geveltuin of een paar regentonnen. Als je eenmaal begint, zie je vanzelf wat er mogelijk is. En het mooie is: je doet niet alleen iets goeds voor het klimaat, maar ook voor jezelf en je omgeving.”

Met zijn enthousiasme en praktische aanpak laat Leon zien dat verduurzaming haalbaar is, zelfs op een bedrijventerrein. Zijn groene oase in Weesp is niet alleen een visitekaartje voor zijn bedrijf, maar ook een inspiratiebron voor anderen.

Klimaatadaptatie in Amsterdam betekent dat we de stad aanpassen aan het veranderende klimaat. Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met hitte, droogte, hevige regen en kans op overstromingen. Samen met bewoners en organisaties zorgt de gemeente voor oplossingen, zoals meer groen, betere opvang van regenwater en gebouwen die tegen hitte kunnen. Ook worden plekken waar wateroverlast ontstaat verbeterd, bijvoorbeeld door het riool aan te passen. Zo maken we de stad klaar voor de toekomst en blijft Amsterdam een fijne plek om te wonen en werken.

30-07-2025
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Nieuws
Rotterdam kiest koers voor sterke economie in alle wijken
Rotterdam kiest koers voor sterke economie in alle wijken

Rotterdam zet een volgende stap naar een toekomstbestendige economie. Met vijftien gebiedsgerichte koersen maakt de gemeente duidelijk wat het beleid is voor bedrijfsruimten, kantoren en winkels en waar kansen en opgaven liggen voor de gewenste economische ontwikkeling. Zo krijgen functies de juiste plek en blijven werk en voorzieningen goed bereikbaar voor Rotterdammers. De gebiedskoersen bouwen voort op het beleid van de afgelopen bestuursperiode, waarin het college succesvol stuurde op het behoud van voldoende bedrijfsruimte en het versterken van vitale winkelgebieden.Resultaten van deze bestuursperiodeDe afgelopen jaren heeft Rotterdam doelgericht gewerkt aan het behouden en versterken van werklocaties. Dat leidde tot:behoud van voldoende bedrijfsruimte (+71.000 m²);versterking van 37 winkelgebieden via de aanpak Vitale Kernen;behoud van werkgelegenheid dichtbij huis;betere bescherming van economische functies bij gebiedsontwikkelingen.Eén koers per gebiedDe plannen voor bedrijfsruimten, kantoren en detailhandel zijn nu gebundeld in één helder en samenhangend kader. Voor elk gebied is tot en met 2029 één ontwikkelplan vastgesteld. Dit biedt meer duidelijkheid en gebruiksgemak voor ondernemers en vastgoedeigenaren. De gebiedskoersen gelden voor 110 economische locaties in Rotterdam: 43 bedrijventerreinen, 11 kantoorgebieden en 56 vitale winkelgebieden.Wethouder Robert Simons (Economie): “De druk op de ruimte in Rotterdam groeit. Met deze gebiedskoersen leggen we helder vast waar bedrijven ook in de toekomst kunnen blijven werken en groeien. Zo zorgen we ervoor dat de werkgelegenheid niet uit de stad verdwijnt en voorzieningen voor Rotterdammers in de wijk behouden blijven.”Actieve rolOm functies op de juiste plek te krijgen, neemt de gemeente de komende jaren een actieve rol. In vitale winkelstraten blijven winkels, horeca en maatschappelijke voorzieningen de basis, terwijl omliggende gebieden meer ruimte bieden voor andere functies. Tegelijk vraagt de overgang naar een circulaire en duurzame economie om extra werkruimte. Door bedrijventerreinen slimmer te benutten en gerichter te sturen op passend gebruik, maakt Rotterdam ruimte voor de economie van morgen.Met het Actieplan Bedrijfsruimte, de aanpak Vitale Kernen, financiële prikkels en aangepaste omgevingsplannen zorgt de gemeente ervoor dat werk en voorzieningen dichtbij blijven voor Rotterdammers.Zie hier alle economische gebiedskoersen in Rotterdam.Foto: Robin Utrecht

03-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief