Hoe ziet de plek waar je werkt eruit in 2050? Die vraag staat centraal in de Challenge circulaire werklocaties 2050. De provincie Noord-Holland, SADC en SKBN dagen professionals in Nederland uit om met ideeën te komen om de bestaande kennis en inzichten over de toekomstige werkplek naar een hoger niveau te tillen.

Professionals die werken op de terreinen van ontwerp, stedenbouwkunde, circulaire economie, mobiliteit, digitalisering en het toekomstige werken kunnen zich inschrijven voor een vierdaags atelier dat eind januari 2019 plaatsvindt. 

De deelnemers worden verdeeld over teams waarin naast mentoren ook één of meer experts zitten op kennisgebieden die een relatie hebben met de circulaire economie. Maurits de Hoog, stedenbouwkundig hoofdontwerper Ruimte en Duurzaamheid gemeente Amsterdam, is één van de experts. De twee andere zijn Wim van Lieshout, directeur Waste and Energy Strategies WEST, en Carlo van de Weijer, hoofd Strategic Area Smart Mobility TU Eindhoven. De professionals gaan concreet aan de slag met concepten, verbeelding en strategie voor de werklocatie van de toekomst. De resultaten worden gebundeld in een publicatie en als afsluiting is er een symposium om de ideeën te delen.

Vertaalslag

Reinoud Fleurke (Manager Gebiedsontwikkeling SADC en bestuurslid SKBN): “Wij zien een aantal grote uitdagingen op ons af komen voor de (her)ontwikkeling van werklocaties, namelijk de transitie naar een circulaire economie, digitalisering, veranderingen in mobiliteit en inhoud van werk. Onze locaties worden steeds meer gemengd ontwikkeld, door toevoeging van verblijfsfuncties, horeca, leisure en onderwijs. Het is van belang om nu na te denken over de ecosystemen van de toekomst waar werknemers en andere gebruikers zich thuis voelen: werklocaties met belevings- en toekomstwaarde."

Gedeputeerde Jaap Bond: “De klimaatverandering en uitputting van grondstoffen maken een overgang naar een circulaire economie noodzakelijk. Grondstoffen en materialen blijven dan zo lang mogelijk waardevol voor het economische systeem. Dat klinkt heel logisch en sympathiek, maar hoe vertaalt dat zich naar de plek waar bedrijvigheid zich concentreert en waar gewerkt wordt? Die vraag willen we aan de deelnemers van de Challenge circulaire werklocaties 2050 voorleggen.”

Circulaire economie

De rijksoverheid, de provincie Noord-Holland en andere overheden hebben als ambitie dat Nederland in 2050 volledig circulair is. Bij een circulaire economie wordt niets meer weggegooid, vernietigd of ongebruikt gelaten. Producten krijgen een nieuw leven, zoals hergebruik van plastics, en bedrijven zijn onderling afhankelijk van elkaar door bijvoorbeeld het gebruik van reststromen, energie en water.

Organisatie

De Challenge circulaire werklocaties 2050 wordt georganiseerd door de provincie Noord-Holland in samenwerking met Schiphol Area Development Company (SADC) en Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN). De stichting Architectuur Lokaal organiseert de ateliers.

Alle informatie over de Challenge Circulaire Werklocaties 2050 is te vinden in het reglement op de website van Architectuur Lokaal. Aanmelden kan tot 18 december om 12.00 uur. Vragen kunnen worden gesteld tot en met 26 november 2018, 12.00 uur. Voor meer informatie: stuur een e-mail aan Vincent Kompier.

19-11-2018
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Nieuws
Keilekwartier verandert van haven in levendig woon-werkgebied met ruimte voor creatieve makers
Keilekwartier verandert van haven in levendig woon-werkgebied met ruimte voor creatieve makers

Het Keilekwartier in Rotterdam wordt een levendige wijk in Merwe-Vierhavens (M4H) met werkplaatsen voor creatieve makers, waar je ook kunt wonen. De ambitie is om er 1.200 tot 1.700 woningen te bouwen. De creatieve makers en ondernemers, die al in het Keilekwartier zitten, moeten genoeg ruimte houden om te blijven experimenteren. Er wordt ingezet op het delen van verschillende voorzieningen zoals één warmtesysteem voor iedereen, het hergebruiken van materialen en het delen van ruimtes binnen en buiten. Dit staat in het gebiedsambitiedocument voor het ‘Keilekwartier’ dat dinsdag 20 januari 2026 door het college van Rotterdam is vastgesteld.Wethouder Chantal Zeegers (Klimaat, Bouwen en Wonen): “Dankzij de unieke samenwerkingen met de zittende partijen in gebied, komt hier in het hele Merwe-Vierhavens een nieuw stuk stad bij met minimaal 3.000 woningen voor verschillende doelgroepen. Hier is echt sprake van samen stad maken.”Samenwerking met KeilecoöperatieHet gebied moet vooral zijn bijzondere karakter behouden. Daarom denken ondernemers uit het gebied met de gemeente Rotterdam mee over hoe het gebied verder wordt ontwikkeld. Dat doen ze onder de naam Keilecoöperatie. De eerste stap is het versterken van de samenwerking tussen de zittende ondernemers en de wensen voor betaalbare werkruimtes. De komende tien jaar worden er nog geen woningen gebouwd. De omstandigheden, zoals verkeer, geluid en geur, moeten eerst verbeterd worden. Als dat eerder lukt, dan start de bouw van de woningen ook eerder.Het MarconikwartierIn oktober 2025 werd het ambitiedocument van het Marconikwartier al vastgesteld. In het Marconikwartier komt een mix van woningen, werkplekken en andere voorzieningen, zoals scholen of horeca. Er komen circa 2300 woningen in het Marconikwartier waarvan er inmiddels 800 zijn gerealiseerd in de Lee Towers. De woningen zijn vooral bedoeld voor starters en kleine huishoudens. De gebouwen worden modern en duurzaam. Er komen ook kantoren voor bijvoorbeeld start-ups en techbedrijven. Het Marconikwartier wordt de meest levendige en stedelijke wijk van Merwe-Vierhavens (M4H). Je kunt hier straks wonen en werken met uitzicht op de haven. Door de ligging bij het ov-knooppunt Marconiplein, het autoluwe karakter en de goede routes voor fietsers en wandelaars is het gebied straks heel goed bereikbaar.Samenwerking met grondeigenarenOok bij de ontwikkeling van het Marconikwartier is samenwerking heel belangrijk. Veel grondeigenaren in het gebied werken al actief mee aan de plannen. Het ambitiedocument is samen met hen gemaakt. Zij werken nu samen met de gemeente aan het Masterplan. In dit plan worden de ambities verder uitgewerkt en is waarschijnlijk in 2027 klaar.Vervolg en planning M4HHet college heeft het gebiedsambitiedocument Keilekwartier voorgelegd aan de gemeenteraad en deze wordt samen met het eerder vastgestelde Marconikwartier in de commissie BWB besproken. Daarna wordt er verder gewerkt aan een Masterplan voor het Marconikwartier. Voor het Keilekwartier moet nog worden bepaald wat de volgende stap is. Terwijl de eerste stappen in het Marconikwartier en Keilekwartier gezet zijn, start de bouw van de eerste woningen naar verwachting eind 2026/begin 2027 in het deelgebied Merwehaven. Het vierde deelgebied, Galileipark, verandert in een gebied waar gewerkt, maar niet gewoond gaat worden.Over M4HHet Marconikwartier en Keilekwartier zijn onderdeel van M4H, een gebied zo groot als de binnenstad van Rotterdam. Havenbedrijf Rotterdam en Gemeente Rotterdam ontwikkelen samen het gebied tot een innovatief woon-werkmilieu, optimaal ingericht voor de innovatieve maakindustrie en met een mix van werken, wonen, cultuur, horeca, sport en onderwijs. Hier komen de komende decennia ongeveer 10.000 woningen bij.Meer wetenGebiedsambitiedocument Keilekwartier Gebiedsambitiedocument Marconikwartier Bijlage bij gebiedsambitiedocument Marconikwartier 

21-01-2026
Aanmelden nieuwsbrief