Lessen uit pilots BE+

De stichting Bedrijventerreinen Energiepositief (BE+) wil met een lokale aanpak uiteindelijk 250 bedrijventerreinen energiepositief en CO2-neutraal te maken. Zo ver is het nog niet, maar de eerste lessen zijn er wel. Pilots laten zien wat nodig is om de energietransitie op bedrijventerreinen echt vorm te geven. Professionalisering en organisatie zijn onmisbaar. Net als ondernemers die hun nek durven uitsteken.

BE+ heeft als doel om 250 bedrijventerreinen energiepositief en CO2-neutraal te maken. De aanpak is op alle terreinen in de basis gelijk: samen met lokale partijen kijkt BE+ wat al gedaan is om met collectieve initiatieven tot verduurzaming te komen, welke kansen er nog liggen en welke aanpak daarbij hoort. De stichting voorziet de lokale partijen van de kennis en tools die ze nodig hebben om tot actie over te gaan. De organisatie is in 2017 opgericht door WM3 Energy, TNO, Oost NL en Kortman DGO, nadat het idee was ontstaan binnen de SKBN. Daarna is het een onafhankelijke stichting geworden, met in het bestuur Oost NL en TNO. Inmiddels heeft BE+ samenwerkingen opgezet met Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord, Projectbureau Herstructurering Bedrijventerreinen (PHB) en de Zuid-Hollandse ontwikkelingsmaatschappij Innovation Quarter. In totaal zijn dertig bedrijventerreinen aangesloten. Nog eens vijftien terreinen hebben gebruik gemaakt van de zogenoemde Energie Potentieelscan, een van de tools die BE+ aanbiedt.

Kagerweg

Een van de deelnemers aan BE+ is de Kagerweg, een gemengd terrein met 120 ondernemers, pal aan de A9 in Beverwijk. Verduurzaming heeft hier al een aantal jaren geleden postgevat. In 2011 startten vier ondernemers op het terrein met het concept Greenbiz IJmond, met het doel om gezamenlijk de Kagerweg te verduurzamen. Zij werken sindsdien samen met de Omgevingsdienst IJmond, die onder meer adviseert en ondersteunt met communicatie en subsidietrajecten. Om energieneutraal te worden, heeft het terrein flinke ambities geformuleerd op het gebied van energiebesparing en duurzame opwek. ‘We zetten hoog in’, zegt voorzitter Jan Boudesteijn van Greenbiz IJmond. ‘Niet alleen omdat de energietransitie ons allemaal aangaat, maar ook omdat we ons terrein mooier en schoner wilden maken.’ Eerste stap voor Greenbiz was het laaghangend fruit: een goede afvalinzameling, centrale inkoop van ledverlichting en zonnepanelen, laadpalen. ‘De homogeniteit op het terrein is daardoor ontzettend verhoogd.’

In 2017 werd Greenbiz benaderd door BE+, om mee te werken aan de energiepotentieelscan. ‘Individuele bedrijven kregen daarmee de informatie in handen die ze nodig hadden om verdergaande investeringsbeslissingen te nemen’, zegt hij. 35 bedrijven die samen meer dan 70 procent van het energieverbruik aan de Kagerweg voor hun rekening nemen, doen al mee. Bij al deze bedrijven zijn een groot aantal maatregelen uitgevoerd.

De Energie Potentieelscan (EPS)

De Energie Potentieelscan (EPS) is bedoeld om vooraf zo specifiek mogelijk een inschatting te maken van relevante energiemaatregelen, welke investeringen nodig zijn en wat ze opleveren. Het gaat hierbij om de gebouwgebonden energiemaatregelen zonnepanelen, led, warmtepompen, isolatie en warmteterugwinning op de ventilatie. De scan levert een overzicht op per pand, maar ook gesommeerde informatie voor het gehele terrein. Naast de hoeveelheid bespaarde en duurzaam opgewekte energie, wordt informatie gegeven over CO2-besparing, geschatte investeringen en opbrengsten per jaar. De EPS is inmiddels toegepast op 45 bedrijventerreinen, waar de resultaten worden gebruikt door de ondernemersvereniging bij het verkrijgen van voldoende deelname aan de collectieve verduurzaming van de bedrijfslocaties. De EPS zou in potentie ook kunnen voorzien in de behoefte aan een goede monitoring van de resultaten van BE+ per bedrijventerrein en voor BE+ als geheel.

Wat op veel bedrijventerreinen lastig blijkt, lukt aan de Kagerweg wel: ondernemers worden enthousiast door de aanpak en willen graag meedoen met een collectieve verduurzaming. ‘Dat is voor een belangrijk deel te danken aan de Omgevingsdienst IJmond’, stelt Boudesteijn. ‘De OD ziet het belang van het faciliteren van eigen initiatief in plaats het afdwingen door handhaving. De mensen van de OD hebben veel tijd en energie gestoken in het benaderen en betrekken van de ondernemers op het terrein.’

‘Het verduurzamingstraject is voor ons serious business’

Fulltime parkmanagement

Greenbiz is een vereniging met daaraan gekoppeld verschillende Bv’s. De ondernemersvereniging is daarmee bijna een bedrijf geworden. Boudesteijn zelf was voorheen ondernemer op het terrein, met een eigen transport- en verhuisbedrijf. Tegenwoordig is hij fulltime bezig met Greenbiz. ‘Het verduurzamingstraject is voor ons serious business.’ Het is een aanpak waar versnipperde bedrijventerreinen veel van kunnen leren, stelt mede-oprichter van BE+ Guus Mulder, die namens TNO ook lid is van de projectgroep. ‘Bedrijventerreinen die vooroplopen hebben gemeen dat ze een hoge mate van organisatie kennen. Goed parkmanagement of een serieuze ondernemersvereniging zijn cruciaal om het draagvlak op het terrein te borgen. Al is het maar om te voorkomen dat ondernemers afgestompt raken door de vele telefoontjes van energiebedrijven die ze elke dag krijgen. Als een ondernemersvereniging helderheid schept in die wirwar van aanbieders, het voortouw neemt en ontzorgt, geeft dat vertrouwen.’

Commercieel denken

Naast de broodnodige professionaliseringsslag kunnen verenigingen ook commercieel gaan denken en zelf diensten aanbieden, zegt Mulder. ‘Collectieve energie-inkoop, het ontwikkelen van duurzame energieopwekking en individuele verduurzamingsmaatregelen voor bedrijven wil je in één hand brengen om slimme koppelingen te maken. Waarom zouden alle bedrijven die stroom opwekken die terugleveren aan het net, als ze ook energie aan elkaar kunnen verkopen?’

Die constatering leidde in Beverwijk tot een intensivering van de samenwerking van deelnemende bedrijven. De ondernemers achter Greenbiz IJmond richtten met steun vanuit het Europese programma Interreg 2 Zeeën en de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland het handelsplatform Greenbiz Energy op. Boudesteijn: ‘Er zullen altijd plussen en minnen zijn wanneer je bedrijven energiepositief probeert te maken. Er zijn ondernemers met een hoog energieverbruik maar weinig dakoppervlak en vice versa. Dat levert tekorten en overschotten op, die je wilt uitwisselen. Op deze lokale energiemarkt komen vraag en aanbod bij elkaar, maar het levert ook een financieel voordeel op: de marges die bij het terugleveren aan het net normaalgesproken terugvloeien naar de energiebedrijven, blijven nu binnen Greenbiz Energy.’

Subsidieaanvraag

Behalve de Kagerweg kunnen ook ondernemers op bedrijventerreinen in Velserbroek, IJmuiden, Heemskerk en Uitgeest aan Greenbiz Energy deelnemen. Begin dit jaar wist Greenbiz IJmond ruim twintig ondernemers uit Beverwijk, Velsen en Uitgeest met bedrijfsdaken van 2000 vierkante meter of meer te motiveren een SDE+ subsidie voor zonnepanelen aan te vragen. Het resultaat is een subsidieaanvraag voor in totaal 100.000 vierkante meter aan bedrijfsdak, goed voor 10 megawatt aan geïnstalleerd vermogen.

Deelnemers aan Greenbiz Energy kunnen via het handelsplatform hun energieverbruik monitoren. Ook krijgen ze inzicht in alle transacties en marktinformatie. Juist dat inzicht in verbruiksgegevens is een cruciale succesfactor voor het effectief uitstippelen van een strategie en duidelijke communicatie naar de bedrijven op het terrein, vertelt Mulder. ‘Met goede data kun je ondernemers een concreet verhaal voorleggen. We werken nu op veel bedrijventerreinen met inschattingen, maar om vraag en aanbod bij elkaar te brengen is heel nauwkeurige informatie nodig. Veel ondernemers hebben een slimme meter die het verbruik per kwartier of zelfs per seconde inzichtelijk kan maken. Het beschikbaar stellen van die data is nodig om uitwisseling van duurzame stroom in een smart grid mogelijk te maken.’

‘Een oplossing vanuit de netbeheerder is soms jaren weg’

Knelpunten

Behalve financiële voordelen ziet Mulder nog een andere impuls om in te zetten op de ontwikkeling van smart grids en lokale handelsplatformen. ‘Het blijkt dat ondernemers er hier en daar nu al tegenaanlopen dat ze hun aansluiting willen uitbreiden, bijvoorbeeld om zonnepanelen aan te sluiten, maar dat de netbeheerder dit niet toestaat. Dit komt door knelpunten in het elektriciteitsnet, soms op laagspanningsniveau (lokaal), soms op middenspanning (regionaal). Een oplossing vanuit de netbeheerder is soms jaren weg.’

‘Een ondernemersvereniging die professioneel genoeg is kan zelf een ESCo opzetten’

Ondernemersverenigingen die zich sterk ontwikkelen, kunnen uiteindelijk de weg vrijmaken voor de inzet van eigen ESCo’s op bedrijventerreinen, verwacht Mulder. Een ESCo (energy service company) is een bedrijf dat het energiebeheer van een pand voor langere tijd overneemt. In een prestatiecontract wordt dan afgesproken dat de ESCo verantwoordelijk is voor energiebesparende maatregelen en het onderhoud. Ondernemers hebben als voordeel dat ze geen grote upfront-investeringen in verduurzaming hoeven te doen en toch de beschikking krijgen over een efficiënt energiesysteem. ESCo’s lijken daarmee een belangrijke schakel in het duurzaam maken van bedrijventerreinen. ‘Toch ontbreekt vaak de kennis en zijn er maar heel weinig bedrijven die er ervaring mee hebben. Financiers zijn daarom huiverig om mee te werken. In mijn ogen is dat onterecht: een ondernemersvereniging die professioneel genoeg is kan zelf een ESCo opzetten.’

Wat heeft BE+ geleerd van de pilots?

In 2018 deed BE+ een evaluatie. Daaruit kwamen de volgende leerpunten naar voren:

  • Een goede organisatie op bedrijventerreinen is een belangrijke voorwaarde voor succes;
  • 70 procent draagvlak voorafgaand aan de start is niet realistisch, het is aan te bevelen om ook te starten bij minder deelnemende bedrijven;
  • De beschikbaarheid van procesgeld is erg belangrijk om de eerste stappen te kunnen doorlopen;
  • De verschillende scans zijn nog erg verschillend qua aanpak en kosten;
  • Energiepositief en CO2-neutraal gefaseerd realiseren is een einddoel, geen voorwaarde vooraf;
  • Een collectieve aanpak is een eis, maar collectieve maatregelen als een warmtenet, windmolens of biomassacentrale zijn dat niet;
  • Een transparante en onafhankelijke organisatie is van belang;
  • Kennis van en ervaring met ESCo’s ontbreekt op bedrijventerreinen. 

 

Dit artikel kom uit vakblad BT dat wordt uitgegeven door Elba\Rec.

Elba\Rec

Elba\Rec en SKBN werken al jaren nauw samen en sinds medio 2018 is Elba\Rec ook kennispartner van SKBN. Via vakmedia zoals BT Magazine en Stadszaken, en o.a. door het BT Event is Elba\Rec een bron van informatie voor bedrijventerreinprofessionals.

info@elba-rec.nl
033 - 87 00 100

Elba\Rec
card image

Nieuws

Lancering Reiswijzer Gebiedsontwikkeling 2019

Nieuws

07-06-2019

Lancering Reiswijzer Gebiedsontwikkeling 2019

“Zet 4 oktober alvast in de agenda”, was de eindboodschap van Patrick Esveld tijdens de lancering van de Reiswijzer Gebiedsontwikkeling 2019 op de PROVADA. Op de stand van het Rijkvastgoedbedrijf was het eindelijk zover, na een jaar van productie en vele gesprekken over strategievorming bij gebiedsontwikkeling, kon de nieuwe Reiswijzer Gebiedsontwikkeling worden gelanceerd!

Paneldiscussie

In de paneldiscussie onder leiding van Jan Fokkema (NEPROM) spraken Bob Jansen (Lingotto), Farid Minhas (wethouder Schiedam), Mattijs Rommelse (gemeente Rotterdam), Helen Amerika (AKRO Consult) en Hans Tijl (ministerie van Binnenlandse Zaken) over het belang van goed en effectief samenwerken bij gebiedsontwikkeling en partnerselectie in plaats van planselectie. De panelleden waren opvallend eensgezind over het belang van beide, maar concludeerde ook dat dit in de praktijk nog lastig is. Kortom, het was tijd om de handschoen op te pakken en de Reiswijzer Gebiedsontwikkeling is de perfecte aanleiding daartoe!

Lancering Reiswijzer

Na de paneldiscussie was het aan Hans Tijl om namens de opdrachtgevers de cover te onthullen. De Reiswijzer Gebiedsontwikkeling 2019 is een Rijksuitgave met als gezamenlijke opdrachtgevers het Ministerie van Binnenlandse Zaken, VNG, NEPROM en Bouwend Nederland. Roger Kersten, Helen Amerika en Sven Schroots hebben namens AKRO Consult als auteurs aan de Reiswijzer gewerkt in samenwerking met het IBR (Arjan Bregman) en vele meelezers.

Interesse Reiswijzer

Geïnteresseerd in de Reiswijzer Gebiedsontwikkeling of wil je meer weten? Op 4 oktober is in de Jaarbeurs in Utrecht het eerste (openbare) congres over de Reiswijzer Gebiedsontwikkeling. In het najaar volgen meerdere regionale congressen. Eind augustus is een gedrukt en online exemplaar beschikbaar. Meld je aan op www.akroconsult.nl/reiswijzer en beschik over de laatste informatie rondom de publicatie.

Lees verder
card image

Achtergrond

Economisch zwakke regio profiteert niet van investering in sterkere regio

Achtergrond

01-05-2019

Economisch zwakke regio profiteert niet van investering in sterkere regio

Investeren in sterke regio’s opdat zwakke regio’s meeprofiteren, is niet het antwoord op toenemende regionale ongelijkheid. De economisch zwakke regio heeft namelijk maar mondjesmaat baat bij stimulering van de sterke regio. Anderzijds treedt er wel een trickle-up effect op, waarbij de sterke regio juist veel profijt heeft van de investering in de zwakke regio.

Dat blijkt uit het onderzoek ‘De economische samenhang tussen regio’s in Nederland’ door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), waarbij het planbureau de economische productie in en verbondenheid tussen de Nederlandse provincies onder de loep nam.

Economische verschillen tussen regio’s zijn de afgelopen decennia steeds groter geworden, met allerhande gevolgen. Zo kan in een zwakkere en achterblijvende regio een ‘economie van onvrede’ ontstaan. Huidig economisch beleid richt zich dus niet langer primair op de ‘regionale winnaars’, maar ook juist op het stimuleren van zwakkere regio’s. Daarbij speelt volgens het PBL echter een ‘traditioneel dilemma’: investeer je in economisch sterkere regio’s opdat zwakkere regio’s via trickle down effecten meeprofiteren of investeer je direct in de zwakkere regio’s zelf?

Meeste interactie blijft binnen de regio

Het PBL geeft aan dat dit laatste het grootste effect heeft, want, want uit het onderzoek blijkt dat er zeer weinig aanwijzingen zijn dat zwakke regio’s daadwerkelijk meeliften op het succes van sterkere regio’s. Mark Thissen, onderzoeker Verstedelijking en Mobiliteit en medeauteur van het rapport, verklaart het geringe effect: ‘Het gros van de economische interacties, 70 procent, vindt binnen de regio zelf plaats, wat ervoor zorgt dat maar een klein deel van investeringen in sterke regio’s doorstroomt naar zwakkere regio’s.’

Trickle-upeffect

Als er dan toch interactie tussen de regio’s plaatsvindt, beperkt dit zich veelal tot omliggend gebied. Het effect van investeringen in Groningen valt buiten Groningen voor bijvoorbeeld voor 31 procent neer in Drenthe en valt 21 procent van de investeringen in Friesland neer in Groningen.

Uitzondering op deze nabijheidsregel zijn reeds sterke regio’s. Thissen: ‘Stimulering van alle regio’s slaat met name neer in gebieden als Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant. Deze sterke regio’s plukken dus ook de vruchten van stimulering van zwakkere regio’s.’ Dit effect, dat het PBL het ‘trickle-upeffect’ noemt, is echter niet zo sterk dat investeringen in zwakkere regio’s ook voor toenemende ongelijkheid zorgen. ‘Doordat het grootste deel van de investeringen toch binnen de regio zelf blijft, is een investering in een zwakkere regio’s alsnog een goede manier om regionale ongelijkheid tegen te gaan,’ zegt Thissen.

Opgenomen in de NOVI

Het PBL voerde het onderzoek uit op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties (BZK), in het kader van de Beleidsverkenning Vestigingsklimaat Nederland. De resultaten moeten bijdragen aan visievorming over het regionaal-economisch beleid. Bovendien worden de onderzoeksresultaten volgens Thissen meegenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Lees verder