Gemiddeld 1 procent groenblauw

Bedrijventerreinen zijn gemiddeld voor slechts 1 procent van hun grondoppervlakte voorzien van groenblauwe structuren. Dit blijkt uit een onderzoek van Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies in de Provincie Zuid-Holland, die representatief is voor andere provincies in Nederland. Ter vergelijking: de openbare ruimte in een gemiddelde 2e generatie VINEX-wijk in Zuid-Holland is voor 6 procent voorzien van groenblauwe structuren, ongeveer zes keer zoveel als gemiddeld bij een bedrijventerrein. De cijfers zijn volgens Rienstra representatief voor heel Nederland.

Door de klimaatverandering staan groen en blauw hoog op de agenda. Verkoeling door groene ecosystemen, waterbuffers voor hevige regenbuien: door de aanleg of behoud van natuurlijke structuren kunnen de effecten van hitte, droogte en wateroverlast worden verminderd. In de openbare ruimte en in de tuinen van huisbezitters is daar inmiddels volop aandacht voor. Maar hoe staan onze bedrijventerreinen er eigenlijk voor? Vakblad BT liet dit uitzoeken door Gerlof Rienstra van Rienstra Beleidsonderzoek en Beleidsadvies.

Uit de vergelijking die Rienstra maakte, blijkt dat groenblauwe ecosysteemtypen gemiddeld 1 procent van de totale bruto bedrijventerreinoppervlakte innemen. Het gaat dan om de volgende structuren:

  • Braakliggend, nog niet uitgegeven, in gebruik voor de landbouw;
  • Bosjes en heggen als afscheiding perceel;
  • Loofbomen als afscheiding perceel;
  • (Half-) Natuurlijk grasland;
  • Openbaar groen: bermstroken langs weg en water;
  • Meren, plassen en overig binnenwater (waterafvoer in sloten en vijvers, vaak om bedrijventerreinen heen of als perceelscheiding);
  • Rivieren (en andere grote vaarwegen): in deze analyse onderschat, vaak langs ‘natte bedrijventerreinen’, maar zijn meestal qua opgegeven oppervlakte niet toe te rekenen aan een specifiek bedrijventerreinen omdat ze grotere kadastrale eenheden vormen.

Om de vergelijking goed te kunnen maken, zocht Rienstra eenzelfde gegevens uit voor de tweedegeneratie VINEX-wijken in Zuid-Holland (woningbouw na 2010). Uit die vergelijking blijkt het aandeel groenblauw op die nieuwe locaties afgerond 6 procent te zijn, dus ongeveer zesmaal zoveel als gemiddeld bij een bedrijventerrein.

Geen verschil oude en nieuwe terreinen

Een opvallende conclusie die Rienstra na zijn onderzoek kon trekken, is dat er geen significant verschil waar te nemen is tussen oude en nieuwe bedrijventerreinen. Met andere woorden: ondanks het veranderende klimaat, en de roep om duurzame bedrijventerreinen, is het aandeel van groenblauwe structuren de afgelopen jaren niet veranderd. Ook valt op dat bijna alle daken onbenut zijn. Groene daken komen nog amper tot niet voor. Hier liggen nog veel mogelijkheden, al zijn waarschijnlijk niet alle daken hiervoor geschikt.

Er is ook geen verschil tussen grote of kleine bedrijventerreinen. Al is het percentage groen en blauw bij kleine bedrijventerreinen vaak wel hoger door het karakter van de ecosysteemtypen als perceel- of terreinafscheiding. Bij een klein terrein telt dat relatief zwaarder mee, zo blijkt. Rienstra gaat ervan uit dat de situatie op de Zuid-Hollandse bedrijventerreinen representatief is voor de rest van Nederland door het gevarieerde landschap, de verschillende typen bedrijventerreinen en vooral de vele watergangen en vaarwegen.

‘Groen en blauw cruciaal om hoge kosten te voorkomen’

Of één procent nu veel is, of heel weinig, is volgens Robbert Snep, senior onderzoeker Groene Steden bij de Wageningen Universiteit, niet eens zo van belang. ‘Het laat in ieder geval wel zien dat er nog heel wat te winnen valt. Eén procent groen en blauw betekent 99 procent rood. Je zou kunnen zeggen: “Te weinig groen, so what?” Maar dan ga je voorbij aan gevolgen van de klimaatverandering. Hitte kan schade toebrengen aan machines, en het verlaagt de productiviteit van de werknemers. Wateroverlast kan schade toebrengen aan vastgoed en aan de omringende infrastructuur. Groenblauwe structuren zorgen voor een vermindering van het risico op die schades, op die kosten. Bovendien, waar werkt men liever, in een versteende omgeving, of een groenrijke plek waar ook ruimte is voor een lunchwandeling en mooie uitzichten? Gelet op het vestigingsklimaat speelt ook daar groenblauw een belangrijke rol. In alle gevallen biedt groenblauw meerwaarde, en toch blijven de investeringen daarin achter. Hoe kan dat?

Het is volgens Snep belangrijk te weten waar de groenblauwe structuren ontbreken, is dat vooral op kavelniveau, waar de eigenaar verantwoordelijk is, of is dat in de openbare ruimte, waar de gemeente aan zet is? ‘Zodra de verantwoordelijkheid duidelijk is, kan gekeken worden naar verschillende handelsperspectieven: Plaats bomen bij (lunch)wandelroutes, gebruik dak- en gevelgroen voor het vastgoed en maak de parkeerplaatsen van waterdoorlaatbare verharding. Dan ben je opeens al een heel eind.’

Volgens voorzitter Wout Veldstra van Stichting Steenbreek is de uitkomst van het onderzoek van Rienstra een goede afspiegeling voor het gebrek aan zorg, die er tot nu toe in onze economie is voor de natuur en het water. ‘Zorgelijk ook, dat er geen verschil is met de oudere bedrijventerreinen. De mentaliteit waarmee we produceren is blijkbaar al decennia dezelfde; efficiënt met zo laag mogelijke kosten werken. Die kosten worden op de overheid afgewenteld. Dat is het meest duidelijk in het waterbeheer; bedrijfsterreinen worden vrijwel helemaal verhard en nu het meer intensief gaat regenen, moet de gemeente door aanpassingen aan de riolering proberen de bedrijven tegen overstroming te behoeden.

Platte daken

Veldstra wijst op de platte daken op het grootste deel van de bedrijfsgebouwen. ‘Die zouden op zichzelf geschikt zijn voor vergroening, maar omdat er zo goedkoop mogelijk gebouwd is, ontbreekt het aan de benodigde draagkracht. Vergroting van de berging op andere manieren kost meestal ruimte en dat is op die terreinen meestal ook zeer efficiënt benut. Ik durf het niet eens over hittestress te hebben, maar ik weet wel dat op de meeste warmtekaarten de bedrijfsterreinen eruit springen. Meer nog dan de oude binnensteden. In die binnensteden heb je dan nog hier en daar tuinen en openbaar groen, waar de natuur een kans krijgt. Dat ontbreekt op de bedrijfsterreinen ook vrijwel helemaal. We kijken tegenwoordig met verbazing naar de arbeidsomstandigheden in fabrieken op afbeeldingen uit de negentiende eeuw. Ik kan me goed voorstellen, dat we in 2030 met dezelfde verbazing de inrichting van onze bedrijfsterreinen in de twintigste eeuw (en later!) bekijken.’

Reactie van Provincie Zuid-Holland

Het college van GS heeft klimaatverandering, energietransitie, biodiversiteit en publiek-private samenwerking hoog op de agenda staan. We zetten hiervoor meerdere instrumenten in. Samen met de waterschappen hebben we een klimaatatlas ontwikkeld (zuid-holland.klimaatatlas.net). In deze atlas kan iedereen heel precies per gebouw zien, waar het heel warm wordt, waar de wegen overstromen en waar de bodemdaling voor overlast zorgt. Dit is belangrijke informatie als je wil weten waar de grootste problemen zich voordoen of als je bijvoorbeeld overweegt ergens te vestigen.

Verduurzaming van de bedrijventerreinen is dan ook een belangrijke pijler in onze economische strategie. Nu zijn de terreinen helaas nog te vaak de hete kooltjes in het stedelijk weefsel. Hier willen we graag verandering in brengen. Wij hebben, als enige provincie tot nu toe, het Convenant Verduurzaming Bedrijventerreinen ondertekend en zijn van plan onze subsidie voor energiemaatregelen te verbreden naar de verduurzaming van de bedrijventerreinen. Hierdoor is er ook extra financiële steun voor extra koeling en waterberging mogelijk.

Verder blijkt uit onderzoek dat de bedrijventerreinen belangrijke plekken zijn om de biodiversiteit te vergroten. Doordat het vaak meer afgesloten en afgelegen plekken zijn, kan de natuur daar meer ongestoord zijn gang gaan. Prachtige resultaten zijn hiermee al geboekt op het bedrijventerrein van Heineken en BIZ Grote Polder. Tot ook grote tevredenheid van de medewerkers die er in de pauze wandelen en ‘ontstressen’.

‘Terreinen zijn helaas nog te vaak de hete kooltjes in het stedelijk weefsel’

Steeds meer bedrijven overwegen hun terreinen te vergroenen om meerdere redenen. Zo legde bijvoorbeeld Farm Frites een bij-vriendelijke geluidswal aan van 500 meter lang, 7 meter hoog en 12 meter breed, met een wandelpad voor de werknemers en het grootste bijenhotel van Nederland. Verder onderzoeken zij nu hoe zij de rest van hun terrein kunnen vergroenen. En bedrijventerrein Schiebroek in Rotterdam is sinds 2019 bezig met het uitvoeren van energiebesparende maatregelen en het verduurzamen van de bedrijven op het terrein.

Mooie initiatieven waarover de provincie graag meedenkt en waar mogelijk meedoet. Wij horen dus graag over de groene ambities van de bedrijven om samen te kijken wat er mogelijk is. Middelen zullen soms beperkt zijn. De huidige crisis zal daar invloed op hebben. Echter door samen te werken, slim te investeren en kennis te delen kunnen wij samen onze bedrijventerreinen groener maken.

28-08-2020
Nieuws
Brabant zet in op bottom-up aanpak bij herstructurering werklocaties
Brabant zet in op bottom-up aanpak bij herstructurering werklocaties

De provincie Noord-Brabant werkt aan een bijzondere herontwikkelingsmaatschappij voor bedrijventerreinen. Die moet gemeenten helpen bestaande werklocaties beter te benutten. De aansturing wordt niet top-down, maar loopt via regionale herstructureringsaanpakken, waarin gemeenten en regio’s voorkeurslocaties aanwijzen.‘Als de verkenning en de besluitvorming door Gedeputeerde Staten (GS) en Provinciale Staten (PS) optimaal verloopt, zouden we volgende bestuursperiode een uitvoeringsorganisatie operationeel kunnen hebben’, zegt Lars Torringa, planoloog Werklocaties regio Noordoost-Brabant bij de provincie.Gemeenten geven in regionaal verband aan dat herstructurering van bedrijventerreinen een belangrijk thema is, maar dat zij in de uitvoering tegen knelpunten aanlopen op het gebied van kennis, capaciteit en financiering. De provincie heeft daarop laten verkennen hoe deze opgave beter ondersteund kan worden.‘Wij hebben november vorig jaar van GS de opdracht gekregen om te verkennen hoe provinciaal instrumentarium voor herstructurering vorm kan krijgen‘, zegt Torringa. Conclusie uit het onderzoek was dat dat die overheidsgelieerd moet zijn, maar als organisatie op afstand van de provincie moet staan.'Wij zijn als provincie in dat geval wel aandeelhouder, maar de organisatie moet kunnen handelen als een marktpartij.’ Voor dit nieuwe instrument zijn volgens het onderzoek de basisvoorwaarden: voldoende uitvoeringskracht, revolverendheid, kennisopbouw en opereren op een duidelijke bestuurlijke afstand.Lees het hele artikel op StadszakenBeeld: Bureau BUITEN

28-05-2026
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Aanmelden nieuwsbrief