In de stad van morgen wordt wonen nauw verweven met werken. Om die reden werd vorige week tijdens het vijftiende BT Event volop nagedacht over de vraag hoe de bedrijvige stad eruit moet zien. Sowieso zijn een bredere verkenning van het thema én een betere samenwerking tussen publiek en privaat vereist. Verouderde bedrijventerreinen bieden zo ruimte aan de stad van de toekomst.

Huizen bouwen is voor bijna alle gemeenten in Nederland een belangrijke opgave. Gemeenten moeten sneller bouwen, betaalbaarder bouwen, liefst ook zelfs meer woningen laten verrijzen dan oorspronkelijk gepland. Wat betekent deze focus voor de stedelijke dynamiek, die veel meer is dan wonen alleen, maar ook draait om werken, verblijven en recreëren?

Het behouden van die dynamiek, met ondernemerschap als hoofdmoot, stond vorige week centraal op het Hembrugterrein in Zaanstad. Hans Krieger, wethouder economische zaken en gebiedsontwikkeling van de gemeente Zaanstad, liet weten dat hij het goed vond dat er nagedacht werd over ondernemerschap in het stedelijk gebied. ´Dit is niet iets van vandaag, maar morgen. Het Hembrugterrein is daar het voorbeeld van.´ Het voormalige defensieterrein, dat de gemeente Zaanstad graag wil ontwikkelen tot een gemengd woon- en werkgebied met ruimte voor minimaal duizend gasloze woningen, vormde een passend decor. Ook sprak Krieger de hoop uit dat gemeenten op dit thema hun kansen gaan pakken.

Corona maakt ruimte voor bedrijvige stad urgenter

Dat die kansen er juist voor steden zijn, maakte Mark Brearley duidelijk. Hij is als professor verbonden aan de London Metropolitan University en adviseert onder meer het stadsbestuur van de Britse hoofdstad. Brearley heeft jarenlange ervaring met projecten die als doel hebben de lokale maakindustrie voor de stad te behouden en te versterken. Hij hield een pleidooi voor het omarmen van ondernemers, wat in Groot-Brittannië vanzelfsprekender lijkt dan in Nederland. Brearley liet weten dat de bedrijvige stad in zijn land geen groot thema is. ‘Maar in Nederland is de scheiding tussen verschillende functies, tussen wonen en werken, erg sterk.’

Brearley liet in zijn presentatie diverse aansprekende voorbeelden zien hoe functies als wonen, werken, recreëren en verblijven op een succesvolle manier met elkaar verbonden kunnen worden. Hij wees onder meer op de ‘incubator-rol’ die ondernemers voor een stad vervullen. Juist ondernemers zorgen voor werkgelegenheid, innovatie en creativiteit die een buurt aantrekkelijk maken. Ook de coronacrisis versterkt de noodzaak om ruimte te maken voor bedrijvigheid. Hij wees op reshoring, het terugbrengen van productie uit lagelonenlanden naar de eigen stad. Brearley denkt dat dit fundamenteel is. ‘Reshoring is een trend die zich absoluut gaat voortzetten.’

Bestuurlijke spagaat

Maar hoe gaan we de kansen benutten om wonen en werken in de stad te combineren, terwijl de belangen, ambities en plannen soms uiteenlopen? Over die ‘bestuurlijke spagaat’ bogen verschillende bestuurders zich. Liesbeth Grijsen, wethouder ruimtelijke ordening van Deventer, liet zien dat het begint met een grondhouding om bedrijvigheid die niet veel hinder geeft, juist een plek in de stad te geven. Zij wees op het Havenkwartier, wat ontwikkeld wordt tot een gemengd gebied. ‘Wij mikken juist op die verwevenheid.’

Jop Fackeldey, gedeputeerde van de provincie Flevoland en voorzitter van het landelijke programma Stedelijke Transformatie, wees op de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking gaat treden. Dat instrument kan gemeenten ruimte bieden om de dynamiek terug te brengen of te behouden. ‘Met de Omgevingswet krijg je meer afwegingsruimte op lokaal niveau.’

Thijs Pennink, directeur van Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord wilde de discussie juist breder trekken. Hij wees op de gigantische ruimtevraag en vroeg zich hardop af of je alle opgaven wel ‘op die postzegel’ moet willen plakken. Hij pleitte ervoor om ook bovenregionaal naar het thema te kijken. Zo zouden bedrijven waar in de Metropoolregio Amsterdam geen plek voor is naar Alkmaar en omgeving kunnen verkassen. Penninks idee sprak Fackeldey in elk geval wel aan: ‘Maar dan moeten we wel goed het gesprek voeren met ondernemers. Zij bepalen uiteindelijk zelf waar ze willen zitten.’

Complexe opgave is geen excuus

Nicole Maarsen, directeur vastgoedbeleggingen bij Syntrus Achmea Real Estate & Finance, liet in haar betoog doorschemeren dat zij graag de samenwerking tussen markt en overheid ziet verbeteren. Zeker bij het mengen van functies of transformatie acht zij dat meer dan wenselijk. Zij onthulde de achtergronden van mixed-use vastgoed, waar meerdere functies in een gebouw gecombineerd worden. Voor Syntrus Achmea is dit een relatief nieuwe beleggingscategorie. ‘Het helpt ons als beleggers enorm als er flexibiliteit zit in de bestemming van gebouwen.’

Volgens Maarsen is dat tevens een manier waarop gemeenten financiers naar hun stad kunnen trekken. In totaal beheert Syntrus Achmea 25 miljard euro aan vastgoed, maar zit nog ‘veel te weinig’ in het mixed use-segment. ‘Terwijl de kracht zit in de combinatie.’

Corona maakt eens temeer duidelijk dat wonen met werken is verweven, en vice versa. Carolien Gehrels, als directeur Europese Steden werkzaam bij Arcadis, liet zien dat functies telkens kunnen veranderen. Volgens haar is de Amsterdamse grachtengordel daar het ultieme voorbeeld van. Ruimte voor bedrijvigheid is daarom ook onmisbaar voor de stad van morgen. Maar kies altijd voor kwaliteit, benadrukte zij. ´Als je bouwt met de eeuwigheid in het achterhoofd, dan bouw je aan de flexibele stad.’

Gehrels wees verder op de belangrijke drager die werken voor een competitieve en aanpasbare stad is. Dat de opgaven, overal in het land, steeds complexer worden, betekent niet dat ondernemers de stad uitgejaagd moeten worden. Het vraagt alleen om een andere samenwerking. ´Met elkaar moet je ambities formuleren.´ Dat dat kan leiden tot mooie resultaten, dat ziet Gehrels bijvoorbeeld terug op het Westergasterrein in Amsterdam – nu een culturele hotspot – en het Oliemolenkwartier in Amersfoort. Oude voormalig industriële locaties of havengebieden, vaak binnenstedelijk, bieden tal van kansen, stelt Gehrels. ´Het oude bedrijventerrein is vaak de start van de nieuwe microstad.´

Het volledige event kunt u hier terugkijken

card image

Event

25-11-2020
Online event: Circular Economy Award 2020

Event

25-11-2020

Online event: Circular Economy Award 2020

De beste voorbeelden van circulaire economie

Leer en maak je circulaire ambities waar

Welke werklocatie is het beste op weg naar haar circulaire doelstellingen? Hoe staat het ervoor met toonaangevende circulaire werklocaties van Nederland? En wat kunnen we daarvan leren? Woensdag 25 november krijgt u antwoord op deze vragen tijdens een interactief webinar. Daarin wordt voor de vierde keer de Circular Economy Award uitgereikt én worden de bevindingen gedeeld die zijn opgedaan in het Praktijkprogramma Circulaire Werklocaties.

De Circular Economy Award is een jaarlijkse verkiezing van dé Nederlandse initiatieven op het gebied van de circulaire economie. Genomineerd zijn dit jaar InnoFase in Duiven, Schiphol Trade Park in Schiphol, Bedrijventerrein Laarberg in Groenlo en het Werkspoorkwartier in Utrecht. Tijdens het webinar vertellen de locaties over de geboekte resultaten en lichten ze toe hoe zij circulaire doelstellingen halen. De diverse ‘lessons learned’ zijn ook voor u interessant.

Tevens nemen we u mee in het Praktijkprogramma Circulaire Werklocaties. Deze samenwerking tussen de SKBN en Akro Consult levert een programma op met interessante leerervaringen. Een twaalftal werklocaties (oud én nieuw) met de ambitie om koploper te worden zijn betrokken. Door een kijkje in hun keuken weet u na afloop waar de locaties tegenaan zijn gelopen en van welke goede voorbeelden u kunt leren.

Vervolgens wordt bekendgemaakt welk terrein de afgelopen jaren de meeste progressie maakte en zichzelf de winnaar van de Circular Economy Award 2020 mag noemen.

Facts & Figures

Lees verder
card image

Achtergrond

Bedrijventerreinen blinde vlek in gemeentebeleid

Achtergrond

07-09-2020

Bedrijventerreinen blinde vlek in gemeentebeleid

Om als land groener uit de coronacrisis te komen moet er veel meer actie ondernomen worden op bedrijventerreinen, stelt Cees-Jan Pen, voorzitter van de Circular Economy Award. Volgens hem moeten gemeenten en lokale ondernemers ambities omzetten in concrete acties.

Zo'n 60 procent van het energieverbruik in Nederland vindt plaats op bedrijventerreinen en uit onderzoek van TNO blijkt dat de besparing op C02-uitstoot in potentie even groot is als de besparing die wordt gerealiseerd door het aardgasvrij maken van woonwijken. Daarnaast stellen onderzoekers van RVO en Stec Groep dat bedrijventerreinen de hotspots voor circulaire economie zijn.

Pen, ook lector aan Fontys Hogescholen, constateert dat er tientallen ambitieuze, aansprekende vergezichten zijn voor circulaire economie op bedrijventerreinen zijn, maar dat deze ambities niet worden vertaald in concrete acties. 'Gebrek aan capaciteit bij gemeenten en publieke doelstellingen met een hoog abstractieniveau als CO2-neutral in 2050 zijn daar mede debet aan. Daarnaast werkt een afwachtend bedrijfsleven ook niet mee.'

Zonde, omdat er volgens hem juist mogelijkheden liggen. Bedrijven en bedrijventerreinen die werken aan een lager en groener energie- en grondstoffenverbruik, minder afval produceren en zich goed voorbereiden op grote maatschappelijke uitdagingen hebben een grotere kans om financieel gezond te blijven, blijkt uit onderzoek van Raboresearch. Groene bedrijventerreinen doen het ook een stuk beter bij beleggers.

Het geloof bij gemeenten zelf lijkt niet altijd aanwezig. Uit onderzoek van Stec Groep blijkt dat slechts 16 procent van de gemeenten durft te stellen dat hun bedrijventerreinen geschikt zijn om de stap naar circulaire economie te kunnen maken. Ook vindt 66 procent van de gemeenten het eigen kennisniveau over circulaire economie onvoldoende en bijna 90 procent geeft aan geen goed beeld te hebben van wat bedrijven in de eigen gemeente doen op dit thema.

Evert-Jan de Kort, senior partner bij Stec Groep en projectleider van het onderzoek, geeft aan dat we bedrijventerreinen ook hard nodig voor een succesvolle omslag naar de circulaire economie. ‘Een omslag die mogelijk zelfs in een stroomversnelling komt nu bedrijven door de coronacrisis kritischer kijken naar hun productketens en hun afhankelijkheid van bijvoorbeeld China. Dat biedt een unieke kans voor het reorganiseren en moderniseren van de productie en stappen te zetten in circulariteit’.

Pen benadrukt nog maar eens dat het omvormen van bedrijventerreinen naar woninglocaties niet de enige mogelijkheid is. 'Breng in kaart waar de grootste kansen liggen, formuleer een helder langjarig toekomstperspectief en zorg voor voldoende fysieke- en milieuruimte voor verschillende circulaire bedrijfsactiviteiten. Van zwaardere recycling en logistieke hubs tot service-economie en stadslogistiek. Daarbij moet ook een kennisplatform gefaciliteerd worden. Zet bovenal geen vlag op een modderschuit en zorg ervoor dat de basis op een bedrijventerrein op orde is: schoon, heel, veilig en goed georganiseerd.'

Dit is een verkorte versie van een stuk dat eerder in vakblad ROm verscheen. Lees hier het volledige artikel.

Lees verder
card image

Nieuws

Private investeringen sleutel tot verduurzaming bedrijventerreinen

Nieuws

18-06-2020

Private investeringen sleutel tot verduurzaming bedrijventerreinen

Lessen uit acht aanpakken in Overijssel

Bedrijventerreinen kunnen een grote bijdrage leveren aan klimaatdoelen. Maar hoe kan de energietransitie op bedrijventerreinen snel en effectief vorm krijgen? In Overijssel proberen overheden en maatschappelijke organisaties antwoord te geven op die vraag. Uit onderzoek van de alliantie Nieuwe Energie Overijssel (NEO) komen een aantal verrassende conclusies.

Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de aanpakken die worden gehanteerd in verschillende pilotprojecten en cases. Tegelijkertijd willen de betrokken partijen input krijgen om hun eigen rol in die projecten beter in te vullen.

Voor het onderzoek zijn acht cases bestudeerd. Gemiddeld lopen deze projecten al tweeënhalf jaar. Toch zijn er nog weinig tastbare resultaten te melden. Waarom gaat dat niet sneller? Volgens Kjell-Erik Bugge, lector Ontwikkeling Werklocaties aan de Saxion Hogeschool en eindverantwoordelijk voor het onderzoek, is op die vraag niet altijd een eenduidig antwoord te geven. ‘Zonder goede doelen vooraf kun je niet goed sturen, maar wat doe je als een proces juist moet leiden tot commitment voor doelen? Een tweede uitdaging: Er bestaat een “verantwoordelijkheidshiaat” en iedereen en niemand vult dat.’

Versnellen

Resultaat van het onderzoek zijn een aantal aanbevelingen. Zo wijzen de auteurs op het belang van de trekkers van projecten. Veelal ontbreekt een goed profiel en instrumentarium, waardoor zij hun aanjaagrol niet goed kunnen invullen. Ook pleiten de opstellers van het rapport voor een goed onderbouwde strategiemix voor bedrijfsgebonden- en collectieve maatregelen en koppel-kansen. Een derde aanbeveling is het werken met een realistische prognose voor de resultaten van projecten en processen. Daarna kan worden gekeken wat nodig is om die processen te versnellen.

De onderzoekers komen tot vier conclusies.

1. Er is tot nu toe vooral proceseffectiviteit.

Hoewel energieprestatieverbeteringen op een aantal terreinen nog uitblijven, zijn er wel belangrijke keuzes gemaakt en processtappen gezet richting inhoudelijke focus, onderbouwd inzicht in kansen en investeringsbereidheid en businesscases.

2. Gebrek aan energieprestatiedoelstellingen en investeringen door individuele ondernemers laat weinig mogelijkheden voor sturing op resultaten en doorlooptijd.

In geen van de onderzochte casussen zijn vooraf concrete doelen met betrekking tot gerealiseerde energie-effecten gesteld. Het succes is hierdoor in alle gevallen sterk afhankelijk gemaakt van een vooraf onbekende investeringsbereidheid bij de individuele ondernemers in maatregelen.

Volgens Bugge is dat niet altijd verstandig. ‘Laat de illusie los van ondernemers die de brede maatschappelijke doelen in de energietransitie willen omarmen. Ondernemers hebben primair verantwoordelijkheid voor continuïteit van hun bedrijf. Energie is te goedkoop om grote inspanningen te kunnen verwachten. Zij investeren vaak wel in de energietransitie, maar doen dat altijd vanuit bedrijfsbelangen en soms gewoon omdat ze zich betrokken voelen bij duurzaamheid.’

3. Een centrale trekker van de energietransitie op bedrijventerreinen ontbreekt.

De optelsom van taken en verantwoordelijkheden van de betrokkenen voor effectiviteit, continuïteit, integraliteit en doorlooptijd in een proces is lang niet altijd 100 procent. Dat zit de voortgang van de energietransitie in de weg.

4. Succes is sterk afhankelijk van de lokale situatie en inbedding.

Zeker in meer procesgerichte aanpakken is er geen “silver bullit”. De aanpak die op de ene locatie werkt, hoeft ergens anders niet tot succes te leiden. Het uitwisselen van lessen en ervaringen helpt, maar het effectief werken in een lokale situatie met de betrokken partijen betekent altijd “copy – adjust – paste” waar voldoende aandacht moet zijn voor de adjust-stap.

‘Dé mirakeloplossing bestaat niet’, zegt Bugge. ‘Het blijft ploeteren en maatwerk leveren. Geen enkele van de voorgaande do's en do not's is heilig, maar ze bieden wel handvatten voor het bouwen van procesontwerpen en het managen of ondersteunen van processen.’

Nieuwe Energie Overijssel

De alliantie Nieuwe Energie Overijssel is een samenwerkingsverband van VNO-NCW Midden en MKB Nederland-Midden, gemeente Zwolle, gemeente Hengelo, Natuur en Milieu Overijssel, Enexis, Bio-energiecluster Oost Nederland, de waterschappen Drents Overijsselse Delta en Vechtstromen en provincie Overijssel.

Lees verder