Nagedacht over de werklocaties van de toekomst wordt er al volop. Dat blijkt onder meer uit de door ROm, Stadszaken en Buck Consultants International georganiseerde webinars, waarin dieper wordt ingegaan op kantoorvestigingsmilieus rond OV-knooppunten, campusontwikkeling en de terugkeer van de moderne maakindustrie in de stad. De vraag na drie webinars is echter: welke lessen kunnen de geïnteresseerden meenemen naar de toekomst? Vakblad BT sparde met Rene Buck (directeur Buck Consultants Internationals) over de webinars en vonden vijf lessen.

Les 1: Kantoren anno 2021 moeten elk moment van de dag aantrekkelijk zijn

Dat het coronavirus onze manier van denken over werken en reizen verandert, staat vast. Het werken op locatie blijft nog wel, maar deels. Uit onderzoek van de NS en het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) blijkt voorlopig dat ongeveer tweederde van de forensen na corona één tot drie dagen per week thuis verwacht te werken. Voor kantoorvestiging in en rond de stationsgebieden heeft dat gevolgen, want als mensen steeds vaker thuiswerken, zijn grote kantoren steeds minder noodzakelijk. De kantoorbezetting wordt dan wellicht iets kleiner en kantoren lijken meerdere functies te krijgen. Juist daar zit de eerste les: door de verschillende functies wordt een kantoor elk moment van de dag aantrekkelijk.

De vraag naar kantoren op OV-knooppunten is dan ook stijgende, mede veroorzaakt door veranderend reisgedrag. Josefien Glaudemans (partner Buck Consultants Internationals) benadrukt dat OV-knooppunten gewild blijven door de opkomst van dergelijke multifunctionele settings en third places. “Deze locaties lenen zich goed voor sociale en creatieve werkvergaderingen”, vertelt ze. Pieter Vandeginste (Fund Director bij verzekeraar/belegger ASR) voegt daaraan toe dat de Nederlander bereid is meer kilometers en langer met het OV te reizen. Hetgeen de vraag naar kantoorvestigingen op OV-knooppunten dan weer ten goede komt.

De Zwolse wethouder Ed Anker ziet deze voor zijn stad positieve ontwikkeling ook, maar worstelt tegelijkertijd met het vasthouden van de mensen na sluit van de kantoren: “Nu is het bedrijventerrein na vijf uur saai en leeg. Wel zien we dat partijen hun best doen om de verbinding tussen instellingen te maken. We willen woningen toevoegen, die dan weer e-commerce en creatieve industrie aantrekken.” Glaudemans vindt het een goed idee: “Kantoren en omgeving moeten anno 2021 elk moment van de dag aantrekkelijk zijn. Het gaat niet alleen om wat er in de kantoren gebeurt. Als de omgeving eromheen een troosteloze vlakte is, dan schiet je er nog niks mee op.”

Les 2: Zorg voor een gevarieerde campusomgeving, met gevarieerde partners

Het succes van campussen wordt de laatste jaren steeds zichtbaarder. De megawinst van Marcel Boekhoorn na het verkopen van de High Tech Campus Eindhoven is er een sprekend voorbeeld van, want het laat zien dat marktpartijen bereid zijn grote bedragen te betalen om een campus over te nemen. Maar hoe zorg je nu voor een stabiel groeiende en aantrekkelijke campus?

Het antwoord is niet eenduidig, maar duidelijk is wel dat gebruikers direct in een interessante omgeving moeten komen. René Buck weet het treffend te verwoorden: “Het moet niet het verhaal van de kathedraal in de woestijn worden. Dus niet alleen het vastgoed zelf moet aantrekkelijk zijn, maar ook de omgeving zelf. Want juist op die manier krijg je het ecosysteem dat je helpt om verder te komen.”

We moeten de opmerking van Buck volgens hem zien als een metafoor: alleen kun je het niet doen. Hoe gevarieerder de samenwerking met partners, hoe meer het oplevert. Astrid Boeijen, directeur van Brightlands Smart Industries Campus in Heerlen, zei daarover: “Investeer daar dan ook tijd in, want zonder partners ben je nergens. Als met zijn expertise een steentje bijdraagt, kom je een stuk verder.” Bij MindLabs in het Tilburgse stationsgebied, waar ROC Tilburg, Tilburg University, Fontys Hogescholen, DPG Media, Gemeente Tilburg, Provincie Noord-Brabant samen een creatieve leeromgeving voor AI realiseren, beamen ze dat: “Allemaal bedenken ze andere concepten; goed voor het ecosysteem.”

De mix tussen hardware en software is heel belangrijk, benadrukt Buck. “Vaak gaat het in eerste instantie om de hardware: een gebouw of fysieke innovatie-omgeving. Maar de softwarekant is voor het succes even cruciaal: een ecosysteem opbouwen, samenwerkingsrelaties tussen bedrijven stimuleren en faciliteren.  Je moet iets extra’s doen, want als iedereen de deuren dicht houdt, schiet je niks op. Dat bij SmartMinds zeventig procent van de bedrijven iets met een ander bedrijf doet, is heel goed.”

“Het moet niet het verhaal van de kathedraal in de woestijn worden"

Les 3: Werk planmatig en bouw voort op het DNA

Het coronavirus heeft de productieketen ontwricht. Het betekent dat soms een deel van de productieketen weer terugkeert naar Europa. Dat biedt kansen en dwingt tot nadenken over de inrichting en toekomst van Nederlandse productielocaties. Voortbouwen op het DNA dat er al is, is een belangrijke les voor de komende jaren. “Een eigen DNA is heel erg belangrijk”, zegt René Buck. “Het is heel goed om te bedenken waar je aanknopingspunt bij en haalbaarheid op de markt ligt. Betrek je stakeholders erbij, maak een programma en zorg voor krachtige initiatiefnemers. Zo ga je van visie over op actie.”

Inspiratie is te halen uit het buitenland. Want hoewel de Merwe4Havens in Rotterdam en het Innovatiekwartier Den Bosch het volgens BCI goed doen, zijn het Jurong Innovation District in Singapore en, dichter bij huis, de Gläserne Manufaktur Volkswagen in Dresden al een stap verder. “De functies worden er zeer goed geïntegreerd omdat het planmatig wordt aangepakt. En de productieruimtes zijn meerlaags en goed aangesloten op het productienetwerk. Dus Nederland kan nog wel een tandje bijzetten”, aldus Paul Bleumink, managing partner Buck Consultants International. Daarin zit ook de derde les: ga planmatig te werk.

Les 4: Functiemenging is niet voor iedereen en overal dé goede oplossing

Ruimtelijke combinatie van functies is steeds meer aan de orde. Denk aan binnenstedelijke bedrijventerreinen waar de opgave ligt wonen en werken te combineren. BCI ziet daar op veel locaties mogelijkheden voor, maar benadrukt dat functiemenging géén doel op zich is, maar een instrument om aantrekkelijke woon- en werkmilieus te creëren. Soms door functies te combineren, maar soms ook door dat juist niet te doen. Sommige terreinen zijn gewoon niet geschikt om te wonen. Buck: “Dat kan ook prima andersom zijn, hoor. Dat een woonwijk niet geschikt is om te werken. We moeten beseffen dat functiemenging een middel is, niet een doel. Soms werkt het, soms werkt het niet.”

Les 5: Goed vestigingsmilieu niet alleen voor de grote steden

Met voorbeelden uit Heerlen, Oss, Tilburg, Helmond en Zwolle werden er in de webinars géén werklocaties uit de vijf grote steden genoemd. Bewust, zo vertelt René Buck achteraf: “Een krachtig vestigingsmilieu is van even groot belang voor zowel middelgrote en kleine steden als voor de grote steden. Vaak als we een voorbeeld uit Amsterdam noemen, krijgen we te horen: ja maar, het is Amsterdam, daar heb je  zo’n grote omvang van bedrijvigheid. Daarom hebben we voor de webinars middelgrote steden als voorbeeld genoemd. Daar is immers ook werk aan de winkel”.

Photo by Ryan Jacobson on Unsplash

30-12-2021
Nieuws
Stadseiland-Zuid in Utrecht klaar voor volgende stap naar gemengd en toekomstbestendig stadsdeel
Stadseiland-Zuid in Utrecht klaar voor volgende stap naar gemengd en toekomstbestendig stadsdeel

Stadseiland‑Zuid in Utrecht maakt zich op voor een grote verandering: van bedrijventerrein naar een gemengd stadsdeel waar ruimte is voor wonen, werken en recreëren. In de Programmatische Verkenning staat hoe deze ontwikkeling de komende jaren wordt aangepakt. Dit document vormt het startpunt voor de gesprekken met bewoners, ondernemers, de gemeenteraad en andere partners.Stadseiland‑Zuid heeft de potentie om uit te groeien tot een aantrekkelijk centrumgebied binnen Groot Merwede, met ruimte voor een stevige mix van wonen én werk. Naast de geplande meer dan 10.000 woningen ontstaat er ruimte voor circa 7.100 banen, variërend van maakbedrijven en creatieve ondernemingen tot maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Met de komst van de Merwedelijn, groene stadsstraten en het nieuwe oeverpark Rondje Stadseiland krijgt het gebied een compleet nieuw karakter.“De ontwikkeling van Stadseiland‑Zuid vraagt om dappere keuzes en een nauwe samenwerking met de ondernemers en bewoners die hier nu al actief zijn. We willen een gebied maken waar je prettig kunt wonen én werken, met voldoende voorzieningen en ruimte voor economische ontwikkeling,” aldus wethouder Schilderman (o.a. Ruimtelijke Ordening).Het gebied kent ook duidelijke opgaven om bestaande barrières om te zetten in gebiedskwaliteiten. Samen met het Rijk en regionale partners verkent de gemeente in vervolgonderzoeken maatregelen om deze uitdagingen aan te pakken, zoals alternatieven voor de verkeersafwikkeling en slimme oplossingen voor een gezondere en stillere leefomgeving. Deze opgaven maken onderdeel uit van de vervolgstappen.Groot Merwede en RijnenburgStadseiland‑Zuid vormt samen met o.a. Papendorp en Merwede het gebied Groot Merwede, dat tussen Utrecht Centraal en Nieuwegein ligt. Het is één van de grootste toekomstige woningbouwlocaties van Nederland. Samen met de ontwikkeling van Rijnenburg biedt dit gebied ruimte voor de groeiende behoefte aan betaalbare woningen, voorieningen én werklocaties.Het Rijk erkent deze landelijke behoefte: Groot Merwede/Rijnenburg is aangewezen als een van de 17 belangrijkste ontwikkelgebieden van Nederland, met een potentie van 63.000–75.000 woningen en 33.000–45.000 banen.Belangrijke schakel in de zuidwestelijke stadsontwikkelingStadseiland‑Zuid heeft door zijn centrale ligging een cruciale rol tussen Merwede, Papendorp en Rijnenburg. De Merwedelijn, de toekomstige snelle OV-verbinding, is daarbij een belangrijke randvoorwaarde om het gebied goed te ontsluiten voor zowel bewoners als bedrijven.VervolgstappenDe Programmatische Verkenning vormt de eerste stap in een meerjarig planproces. De inzichten worden verder uitgewerkt in een Uitgangspuntennotitie, een Omgevingsvisie en uiteindelijk een Omgevingsplan. De gemeente Utrecht gaat hierover in gesprek met bewoners, ondernemers, de gemeenteraad en andere betrokkenen. 

24-03-2026
Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief