Van dinsdag tot en met donderdag 21 tot en met 23 juni 2022 bezocht een groep van 32 SKBN’ers de metropoolregio Stuttgart. Lelijk volgens de een, interessant volgens de ander. Vaststaat is dat Stuttgart een dynamische stad en regio is, die de wereld naast de automobiel veelander technisch vernuft schonk met bedrijven als Mercedes-Benz, Porsche en Robert Bosch. Het is de vraag of de Stuttgart Regio de rol van voorloper weet te prolongeren in een snel veranderende tijd waarin de verbrandingsmotor in de ban wordt gedaan. Er staat véél op het spel.

De Duitse industrie is aan vernieuwing toe. De verbrandingsmotor voor personenvoertuigen wordt in de ban gedaan, al bedong de Duitse overheid nog uitstel van executie. Als het klad definitief in de Duitse auto-industrie komt, dan trekt het een schare van toeleverende industrieën met zich mee het slop in. Ofschoon de beleidmakers nu nog rekening houden met een vervangingsopgave van 200.000 mensen met dezelfde competenties als van de babyboomgeneratie die de komende vijftien jaar de fabrieken gaat verlaten, wordt er ook rekening gehouden met een toekomstscenario waarin er voor hooggekwalificeerde productietechnologen geen werk meer is. Om de status als productiestandplaats te behouden, zet de Duitse overheid al enige jaren stevig in op een industriepolitiek. Die industriepolitiek heeft de afgelopen twee jaar extra dimensie gekregen. Haperende toeleveringsketens (en ontbrekende voorraden) tijdens de coronapandemie, resulteerden in voornemens om productie van vitale onderdelen terug te halen naar Duitsland. De oorlog in Oekraïne legde pijnlijk bloot hoe afhankelijk Duitsland zich heeft gemaakt van vreemde mogendheden waar je liever niet afhankelijk van wilt zijn. Het stopzetten van gasleveranties uit Rusland kan hele industrieën, en daarmee de Duitse economie, in de diepte stortten.

Ruimte als knelpunt

Dat laatste ligt buiten de macht van het Verband Region Stuttgart (VRS), dat sinds de oprichting in 2004 een belangrijke coördinerende rol in het ruimtelijk-economisch beleid vervult in de economische regio waarvan Stuttgart het middelpunt is. Groot knelpunt voor verdere economische ontwikkeling en -diversificatie is een gebrek aan ruimte. En als er al ruimte is, dan voelen de circa 150 gemeenten die onderdeel uitmaken van de metropoolregio zich weinig geroepen om ruimte voor nieuwe industrie beschikbaar te stellen, omdat de inwoners het niet willen. Zij willen eigenlijk niets, vertelt Thomas Kiwitt, directeur regionale planning van VRS. “Veel mensen zitten in een soort vakantie-modus. Zij wonen in een dorp waar zij niet werken, niet winkelen. Ze zitten met een glas Weissbier in de tuin. Als je een enquête organiseert, dan scoren weginfrastructuur, openbaar vervoer, luchtkwaliteit en de woningmarkt altijd hoog. Maar we hebben geen politieke meerderheid voor méér wegen, méér openbaar vervoer, en méér huizen.”

Kortom: bewoners profiteren van economische zekerheid die de metropool inwoners heeft gegeven, maar houden de stad graag buiten de deur. Daarnaast bestaat ook in de regio Stuttgart een enorme spanning tussen twee ruimteclaims vanuit wonen en werken, waarbij werken vaak het onderspit delft.

Gemeenten zijn van oudsher sterk en eigenwijs, vertelt Kiwitt, met de burgemeester als aanvoerder. Enkele gemeenten tellen minder dan 10.000 inwoners, maar hebben wel dezelfde bevoegdheden van een grote stad als Stuttgart. De R&D-afdeling van Porsche zit in een dorp met 3500 inwoners. Van het gekozen bestuur aldaar wordt verwacht dat het zaken doet met een concern dat gewend is op een wereldtoneel te spelen. De gemeente mag de vergunningverlenende instantie zijn, gelukkig speelt de VRS een stevige coördinerende rol. Dat doet VRS met een direct democratisch mandaat. Samen met twee andere regionaalverbanden (Hanover en Ruhr) heeft VRS namelijk een direct gekozen assemblee. Volgens Kiwitt is dat een pré, omdat de zaken waar VRS over gaat, expliciet politiek zijn.

Bestemmingswijziging

Het belangrijkste instrument van VRS is het regionale plan. Daarin staan volgens Kiwitt richtlijnen met een juridisch bindende status, waarover niet zelden de degens gekruist worden met gemeenten in de rechtszaal. Zo mogen individuele gemeenten niet zonder instemming van VRS de bestemming van een stuk land wijzigen. Anderzijds heeft VRS niet de bevoegdheid om bestemmingen op te leggen.

Te veel opleggen is ook helemaal niet de intentie van VRS, bezweert Kiwitt, die meer mikt op de kunst van de verleiding: het genereren van draagvlak voor nieuwe ontwikkeling. Dat is best lastig, want traditioneel gezien bestaat de gereedschapskist van de planningautoriteit vooral uit instrumenten om ontwikkeling tegen te houden. “We hebben sterke remmen maar beperkte middelen om dingen mogelijk te maken.” Daarom worden regionale overheden die het regionale plan volgen, beloond met speciale regelingen. De uitvoering hiervan ligt bij de Wirtschaftsförderung Region Stuttgart, de regionale ontwikkelingsmaatschappij die gehuisvest is in het gebouw naast VRS. De vraag is of dat voldoende is, omdat inwoners van Stuttgart Regio nogal verwend zijn, en niet zo van verandering houden. Dat wordt dus nog een hele uitdaging en daarin blijkt maar weer dat Duitsland bar weinig van Nederland verschilt.

Op de vraag hoe de relatie is tussen Stadt Stuttgart en het regionaalverband antwoordde Kiwitt dat dit prima is. Of te controleren of dit echt zo is, zouden we ook Stads Stuttgart moeten vragen. Volgens Kiwitt kan het regiobestuur hete aardappels voor de Stuttgart uit het vuur halen, waar de Stuttgart dankbaar gebruik van maakt. Immers, een kleine gemeente is eerder geneigd te luisteren naar de regio, dan naar de ‘grootstad’. 

Megasites

Bovengenoemde Wirtschafsfördering is de Duitse equivalent van de regionale ontwikkelingsmaatschappij, behalve dat de staat Baden-Württemberg geen aandeelhouder is, maar lokale gemeenten. Volgens Stephanie Fleischmann, hoofd strategie en internationale relaties, heeft de Stuttgart regio geen kavels meer beschikbaar van vijftien hectare of groter. Dan legt de regio het af te tegen een stad als Magdeburg die onderdak gaat bieden aan twee nieuwe megafabrieken van Intel, waarvoor deelstaat Saksen-Anhalt een site van 300 hectare beschikbaar stelde. De vraag is of Stuttgart regio nieuwe megaprojecten (projecten met een minimale investering van 1 miljard euro, een ruimtebeslag van minimaal 100 hectare en werkgelegenheid voor meer dan 1500 mensen en ‘substantiële multipliereffecten’, aldus René Buck in de vorige editie van BT) nodig heeft. “Dat is de discussie nu. Ze passen niet eens in Baden-Württemberg. Het issue is: als het slecht gaat met de reguliere economie en met de autofabrieken, dan kun je achteraf tot de conclusie komen ‘stom dat we het niet hebben gedaan’.”

Fleischmann benadrukt dat de regio een enorme voorraad arbeidskrachten telt met enorm goede ‘productievaardigheden’, ook jongeren, waardoor de blik ook naar de toekomst toe gericht moet zijn op productie. “Maar productie heeft logistiek nodig en daar hebben gemeenten geen ruimte voor, omdat ze zeggen dat logistiek niet veel banen oplevert”, vervolgt Fleischmann.

Waar ook ruimte voor nodig is zijn voorraden, om zo minder kwetsbaar te worden voor haperende aanvoerketens, voegt Thomas Bittner toe.

Campussen

Bittner, projetmanager foreign Trade and Services bij de Industrie- en Handelskammer, doet er nog een schepje bovenop. Hij verzekert dat de productie ‘dramatisch’ zal terugvallen. “Mercedes wil enkel nog focussen op luxeauto’s.” Innovatie biedt een mogelijke ontspanningsroute uit de onvermijdelijke neergang. Zo weet Bittner te vetellen dat Daimler een nieuwe brandstofcelfabriek wil bouwen, net buiten Stuttgart, met belangrijke spin-off-effecten. Het goede nieuws is: de lokale gemeenschap gaf haar fiat aan de benodigde ‘special zoning area’.

Er zijn nog grote uitdagingen. Ook voor innovatie is menskracht nodig. En dat is op het moment, naast ruimte, de grootste knellende factor. Een manier om mensen te trekken is het creëren van goede en inspirerende startup-omgevingen, die een nieuwe generatie aantrekt of bindt. Maar op de geboortegrond van de automobiel lijkt de infrastructuur voor startups nog niet heel erg goed ontwikkeld, erkent ook Fleischman. Ze is recentelijk in de Brainport regio geweest en heeft zich laten inspireren door de grote variëteit aan campussen en innovatieve werklocaties in Eindhoven en omgeving. Hier is nog een wereld te winnen. Inmiddels zijn er projecten in de maak zoals de AI xpress, een startup-accellerator in Böblingen waar de Wirschafsförderung bij betrokken is. Vanwege de lange treinreis van 45 minuten en afwezigheid van een sleutelfiguur is van een aangeboden bezoek afgezien. En andere innovatieve werkomgeving is Arena2036 en de regio investeert ook fors in de waterstofeconomie.

Machines

Arena 2036 staat voor ‘Active Research Environment for the Next Generation of Automobiles’. En dat is precies wat het is, konden deelnemers tijdens een bezoek op de tweede dag met eigen ogen zien. Aangesloten bedrijven (zo ongeveer alles wat er toe doet in Stuttgart) kunnen in de productiehal nabij de universiteitscampus dingen uitproberen. De Arena2036-organisatie zorgt voor de coördinatie. Daarnaast biedt Arena2036 onderdak aan een incubatorprogramma ‘Startup Autobahn’. Organisatie is uitbesteed aan Plug and Play, een accellerator programma-organisator uit Silicon Valley. Arena 2036 kon rekenen op belangrijke overheidssubsidie. De overheid bekostigde niet alleen de bouw van de productiehal, dure machines, maar ook een deel van de exploitatie. Het is wel de bedoeling dat de kosten geleidelijk aan volledig worden gecoverd door de leden. Wat betreft de innovaties zelf: die behoren in eerste instantie toe aan de startups en bedrijven zelf. Maar open innovatie is de norm.

Arena 2036 laat zien dat innovatie niet op afroep beschikbaar is maar een lange adem vergt en bijbehorende (publieke) investeringen. Belangrijkste misschien nog wel is dat de industrie zelf nadrukkelijk betrokken is en toepasbaarheid van innovaties voorop staat. Daarbij wordt in Arena 2036 letterlijk voortgebouwd op het economisch DNA dat de regio sinds 1886 heeft (toen Karl Benz de automobiel zou hebben uitgevonden, om een jaar later in productie te worden gebracht). 150 jaar later moet daar een nieuwe industrie uit voorkomen met Arena 2036 als katalysator.

AI-scan

Twee ontmoetingen in de middag stonden eveneens in het teken van innovatie, allereest de ontwikkeling van artificiële intelligentie op het KI-fortschitszentrum aan het Frauenhofer Institute en afsluitend de ontwikkeling van waterstoftechnologie bij het Zentrum für Sonneenergie- und Wasserstoff-Forschung Baden-Württemberg (ZSW). Interessant ook om te horen is dat de staat van Baden-Württemberg via het KI-fortschitszentrum (de staat is ook de belangrijkste financier) álle ondernemingen in de staat een AI-scan aanbiedt om te kijken in hoeverre AI bedrijfs- en productieprocessen kan optimaliseren. Geen gek idee in een tijd van personeelsschaarste waarom productiviteitsgroei steeds belangrijker zal worden om te overleven.

Meest voorname les uit de ontmoeting met Dr. Marc-Simon Löffler, hoofd van het departement van hernieuwbare energie van ZSW, was dat de regio in staat is boven de energietransitie te hangen en op zoek te gaan naar wat Duitsland écht kan bijdragen. Zo constateert Löffler dat het niet aannemelijk is dat Duitsland zelf een grote producent van (groene) waterstof wordt. De zonnekracht en beschikbare ruimte zijn te beperkt. Daarom wordt nu alles op alles gezet om nieuwe electrolyzers te produceren met het hoogste rendement, voor de export, naar bijvoorbeeld Australië. Dat heb je het dus feitelijk over een nieuwe maakindustrie, aansluitend bij het economische DNA.

Urbanes Gebiet

Een bezoek aan de productiefaciliteit van Wittenstein in Fellbach op de derde dag completeerde de reis. Het bezoek startte met een rondleiding door een bedrijvengebied waar de huizen nooit ver van verwijderd zijn. Het is één van de proeflocaties van de IBA2027 dat de ‘productieve stad’ als een van de thema’s hanteert. IBA-projectleider en architect Grazyna Adamczyk-Arns introduceerde een nieuw soort planningsconcept dat in dit kader zeer relevant is: het Urbanes Gebiet. Urbanes Gebiet is sinds 2017 in het Duitse bouwrecht een gebied dat waar zowel gewoond mag worden alsook commerciële ondernemingen en sociale, culturele en ander voorzieningen geplaatst mogen worden die de woonomgeving niet significant verstoren. In tegenstelling tot in het Mischgebiet (gemengd gebied) hoeft het gemengde gebruik niet in evenwicht te zijn (meer informatie:  https://de.wikipedia.org/wiki/Urbanes_Gebiet)

Het thema productieve stad is uit nood geboren. De stad heeft productie nodig om economisch te kunnen voorbestaan en de industrie heeft de stad nodig voor het aantrekken en behouden van personeel. Het uit elkaar trekken van die functies is al lang niet meer het ideaal.

Aantrekkelijk blijven voor personeel was één van de motieven van Wittenstein, een producent van aandrijfsystemen, om een nieuwe faciliteit in een stedelijke omgeving, dicht bij een S-bahn station, neer te zetten. Het vergde wel de nodige investeringen in geluidsbeperking en faciliteiten om vrachtwagens binnen te kunnen lossen. Maar de investering betaalt zich uit. Wittenstein heeft de mogelijkheid om uit te breiden op de locatie. Maar dan is een aantrekkelijke locatie niet meer voldoende om aan personeel te komen, omdat er domweg niet voldoende personeel is. Daarom mikt fabrieksdirecteur Christoph Herz op verregaande productiviteitsgroei door automatisering waardoor in de nieuwe plant 30 procent minder personeel nodig is.

Region Stuttgart in zeven lessen

1. Meer bestuurlijke coherentie zorgt voor meer economische slagkracht!

De regio is bestuurlijk zwaar versnipperd maar compenseert dit met een sterk regiobestuur met een gekozen assemblee;

2. Borg ruimte voor werken regionaal af!

Lokale overheden kunnen niet zomaar en bestemmingsverandering doorvoeren zonder fiat van het regiobestuur. Daarmee kan kostbare ruimte voor werken worden geborgd;

3. Stick to your DNA!

Het DNA van Stuttgart zit ‘m in de ‘productievaardigheden’ van de mensen in de regio. Het is in dat opzicht geen gekke gedachte dat de regio ervoor kiest te investeren in de productie van elektrolyzers voor de exportmarkt, en niet zozeer waterstof zelf.

4. Industriepolitiek vergt een lange adem!

Ondertussen investeert Stuttgart ook sterk in innovatie, als onderdeel van een bredere landelijke industriepolitiek. Wat opvalt is dat er strategisch gekozen wordt, samen met het bedrijfsleven, en er een lange adem is. Ook aardig om te zien hoe de staat AI-scans aanbiedt aan bedrijven. Met het oog op productiviteitsgroei geen gek idee.

5. Huisvesting is geen bedreiging, maar een kans op personeel te binden!

In Fellbach is te zien hoe Wittenstein woongebieden niet uit te weg gaan, maar expliciet kiest voor een stedelijke omgeving om aantrekkelijk te blijven voor personeel.

6. Innovatieve werkomgevingen zijn goud waard. Maar zorg wel voor output!

Stuttgart is goed in produceren en repeteren. Innoveren en improviseren is iets waar de Duitsers minder goed in zijn. En dat moeten ze misschien wel doen om geen Detroit te worden. De benodigde infrastructuur van campussen en innovatieve werklocaties lijkt nog onderontwikkeld. Anderzijds is in Arena2036 te zien dat innovaties ook direct toepasbaar zijn. In die zin zijn de Duitsers ook wel weer aanstekelijk no-nonsense.  

7. Laat het regiobestuur het vuile werk opknappen!

Tot slot kunnen we uit Stuttgart leren dat er een alternatief is voor regionale samenwerking: regionale coördinatie door een sterk regiobestuur dat beslissingen neemt dit een kleine gemeenten niet durft te nemen: bijvoorbeeld het behouden van ruimte voor werk.

 

12-07-2022
Nieuws
Het werk verdwijnt geruisloos, zo verliest de stad de functies die haar laten draaien
Het werk verdwijnt geruisloos, zo verliest de stad de functies die haar laten draaien

Vierdejaarstudent Geert van de Ven nam een half jaar lang het werken in de stad in het vizier. Hij onderzocht stedelijke werkmilieus; niet om het belang van ruimte voor werk te benadrukken (dat pleidooi is bekend) maar om aandacht te vragen voor het handelingsperspectief van overheid en markt. “Functiemenging zonder regie mondt uiteindelijk vaak uit in functieverlies.”Nederland weet inmiddels uitstekend hoe functiemenging eruitziet op papier. We kennen de discussies, de studies, de analyses, de beleidsnotities. En toch verdwijnt werk gewoon uit de stad, sluipenderwijs en geruisloos. Niet omdat het overbodig is geworden, maar omdat het in de praktijk structureel het onderspit delft. Tegen duurbetaald wonen. Tegen hoogwaardig kantoorwerk. Tegen alles wat meer oplevert op de korte termijn. Zolang werk niet expliciet wordt beschermd, georganiseerd en vertegenwoordigd, verliest het terrein.Meer vraag naar ruimteDat is opmerkelijk, want de cijfers liegen er niet om. Nederland telt ruim 3.800 bedrijventerreinen. Samen beslaan die circa 81.000 hectare, slechts 2,5 procent van het totale landoppervlak van ons land. Op die beperkte ruimte werkt ongeveer 30 procent van de werkzame beroepsbevolking, wordt circa 40 procent van het bruto binnenlands product verdiend en vindt ongeveer 60 procent van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling plaats. Tegelijkertijd groeit de vraag naar bedrijfsruimte richting 2030 met 6 tot 13,5 procent, wat neerkomt op een aanvullende ruimtebehoefte van circa 7.000 hectare. De druk op de ruimte voor werk is daarmee geen theoretisch probleem. Het is een structurele opgave die alleen maar zwaarder wordt.Lees het hele artikel op Gebiedsontwikkeling.nu

28-05-2026
Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief