Zonder dekkend netwerk van tank- en laadfaciliteiten voor schone brandstoffen en groene stroom is zero emissie mobiliteit in Nederland en haar binnensteden onmogelijk. Eén van de belangrijkste knelpunten is de juiste ruimte op strategische locaties voor deze zogenoemde clean energy hubs. Samenspel tussen gemeenten, provincies en Rijk is nodig om deze ruimte beschikbaar te krijgen.

Urgentie voor groene mobiliteit neemt toe

De klimaatverandering wordt steeds urgenter en de opgave voor verduurzaming van de mobiliteit -als één van de vijf grote sectoren met CO2 uitstoot in Nederland- wordt groter en groter. De overstap naar alternatieve brandstoffen heeft extra urgentie gekregen door de oorlog tussen Rusland en de Oekraïne. Hierdoor is er druk ontstaan op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van olie en gas en de marktvraag naar duurzame alternatieven toeneemt.

Met de introductie van zero emissie zones zetten de grote steden in Nederland in op een grote marktvraag naar schoon vervoer, wat leidt tot een stevige bijdrage aan de klimaatdoelstellingen voor reductie van 49% CO2 uitstoot in 2030. Bedrijven met logistieke bestemmingen in binnensteden worden hiermee vanaf 2025 verplicht om de stad in te rijden zonder CO2 uitstoot ‘aan de uitlaat’. Wanneer een wagenpark aan vervanging toe is, dan schaft een ondernemer een schoon voertuig aan. Om met deze duurzame voertuigen te kunnen rijden, moeten er echter wel voldoende duurzame oplaad- en tankfaciliteiten zijn op de juiste locatie. Deze faciliteiten worden ook wel ‘clean energy hubs’ genoemd. 

Clean energy hubs

Na zero emissie stadslogistiek volgen de verduurzaming van de nationale en internationale ritten en de binnenvaart. Hoewel de vraag vanuit schone stadsdistributie naar clean energy hubs op de korte termijn toeneemt, zal vermoedelijk het transport met nationale of internationale afstanden op termijn de belangrijkste gebruiker worden van deze hubs. 

Stadsvervoer bestaat namelijk veelal uit korte afstanden met lichtere voertuigen en hiervoor worden op de korte termijn met name elektrische voertuigen ingezet. Daarvoor is vooral elektrische laadinfrastructuur op de juiste locatie nodig, zoals op het private terrein van een bedrijf. Voor schoon transport met zwaardere vrachtwagens en lange afstanden -denk aan nationale of internationale ritten- zijn elektrische voertuigen beperkt inzetbaar vanwege de beperkte actieradius. Al neemt de actieradius van batterij elektrische trucks snel toe en [is dit nog geen gelopen race. 

Schone brandstoffen voor lange afstandsritten

Voor langeafstandsritten zijn wel meer opties voor duurzamere aandrijving van de voertuigen en hiervoor is een mix gewenst in het aanbod van schone brandstoffen met bijvoorbeeld:

  • (vloeibaar) groen gas 
  • biobrandstoffen (HVO100)
  • elektrische laadinfrastructuur
  • groene waterstof

Juist een mix aan brandstoffen moet op strategische hubs beschikbaar zijn en overheden hebben een belangrijke rol om hierin te faciliteren.

Naar een landsdekkend netwerk van energy hubs

Het nationale programma voor clean energy hubs richt zich op de ontwikkeling van een landelijk dekkend netwerk van clean energy hubs voor wegtransport en binnenvaart. Concreet doel van dit programma is de realisatie van de eerste 100 nationale clean energy hubs in 2025. Voor de binnenvaart zijn dit 10 docking stations voor batterijcontainers plus 3 vulpunten voor alternatieve brandstoffen, waaronder waterstof. Voor het wegtransport gaat het om 50 vulpunten (met een doorgroei naar 100) voor duurzame brandstoffen. Hiermee wordt de transitie naar een schone logistiek mogelijk gemaakt.

Meer snelheid nodig in ontwikkelen van energy hubs

In de afgelopen jaren zijn verschillende locaties tot ontwikkeling gebracht, maar de uitrol van het netwerk heeft nog onvoldoende snelheid om de doelen van het nationale programma te behalen. Belangrijke redenen hiervoor zijn knelpunten in het proces om ruimte beschikbaar te krijgen voor clean energy hubs en het rondrekenen van de businesscase voor schone aandrijvingsvormen waarvan de markt nog onvolwassen is. Daarom ondersteunt BCI de werkgroep van het programma met de uitwerking van een strategie op landelijk niveau, om het huidige aanbod versneld uit te rollen en de ontwikkeling van individuele clean energy hubs zo soepel mogelijk laten verlopen. 

Verschillende alternatieve brandstoffen, verschillende ruimtevraag

Om de logistiek te verduurzamen zijn verschillende energie- en aandrijvingsvormen beschikbaar. Belangrijke alternatieve brandstoffen en energievormen die momenteel hun intrede doen in de logistiek zijn CNG, LNG, HVO, elektrisch vervoer (EV) en waterstof (H2). De mate van marktintroductie verschilt per energievorm/-drager. Zo wordt CNG al breed toegepast in het bestelverkeer en (lichte) bakwagens en is waterstof nog in de beginfase. In de onderstaande tabel is voor de verschillende energievormen een overzicht gegeven van de mate van duurzaamheid en de status van dekking van het netwerk van vulstations.


Het aantal vulstations dat nodig is, verschilt per brandstof of energievorm. Zo zullen er meer elektrische oplaadpunten nodig zijn voor ritten met batterij-elektrische voertuigen, dan dat er vulpunten nodig zijn voor ritten met waterstofvoertuigen. Een belangrijke reden hiervoor is dat de afstand die met de verschillende alternatieve brandstoffen en energievormen afgelegd kan worden, varieert. Hierdoor verschilt de vraag naar ruimte en soort locatie (langs de snelweg op de route van een rit, of juist op een bedrijventerrein, dichtbij het bedrijfspand) per energievorm.

Één type clean energy hub bestaat niet

Uit onderzoek van BCI naar de huidige stand van het netwerk van clean energy hubs, knelpunten en oplossingen blijkt dat er niet één type clean energy hub bestaat. De alternatieve brandstoffenmix die wordt aangeboden verschilt per type energy hub en dit geldt ook voor

  • de doelgroepen die worden bediend (weg- of watertransport, regionaal, nationaal of internationaal transport) 
  • de schaalgrootte van een energy hub (grootschalig aanbod voor (inter)nationale goederenstromen of kleinschalig en gericht op de lokale behoefte) 
  • de manier waarop een energy hub zich ontwikkelt (nieuw en volledig gericht op duurzame aandrijving, of uitbreiding van een bestaande tankfaciliteit). 

We onderscheiden vier verschijningsvormen die ieder eigen belemmeringen en succesfactoren kent. Deze zijn omschreven in de onderstaande figuur. 


De juiste ruimte op de juiste locatie

Hoewel er verschillende type clean energy hubs zijn, hebben zij één gedeelde noemer: voor alle soorten hubs is voldoende beschikbare ruimte op de juiste strategische locatie de allerbelangrijkste randvoorwaarde. Verschillende overheden hebben hierin elk een eigen rol. 

Zo heeft het Rijk de rol in de ontwikkeling van een nationaal dekkend netwerk en locaties langs rijkswegen. Provincies zijn de lead als het gaat om de regionale netwerken en een ruimtelijke strategie hiervoor in de provinciale ruimtelijke plannen. Omgevingsdiensten heb-ben samen met gemeenten een belangrijke rol in het beoordelen en verlenen van de omge-vingsvergunningen die nodig zijn om clean energy hubs ruimtelijk mogelijk te maken. Gemeenten en regio’s kunnen agenderend opereren en vraag en aanbod bij elkaar brengen. 

Een samenspel tussen alle overheden is nodig om de uitrol van dekkende netwerken van clean energy hubs mogelijk te maken en om deze te versnellen.

De manier waarop overheden de realisatie van clean energy hubs vervolgens nog verder kunnen helpen versnellen, verschilt per type energy hub:

  • Overheden kunnen de uitbouw van reguliere tankstations met een aanbod van een schone brandstoffenmix voor het wegtransport bijvoorbeeld faciliteren met soepele vergunningverlening procedures en heldere communicatie richting ondernemers over de mogelijkheden en grenzen.
  • Een grotere rol voor overheden ligt bij het creëren van de juiste randvoorwaarden voor de ontwikkeling van geheel nieuwe clean energy hubs die gericht zijn op een volledig duurzaam aanbod waaronder laad- en tankfaciliteiten waarvan de markt nog niet volledig ontwikkeld is. Overheden kunnen vestiging gemakkelijker maken met faciliteren in re-gelgeving en vergunningen, door proactief nieuwe vestigingen aan te jagen en ruimte te bieden en met faciliteren in het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van marktpartijen. Uiteraard start de zoektocht met een analyse van kansrijke locaties, dit kan met behulp van deze tool.
  • De grootste betrokkenheid van overheden is nodig bij de realisatie van clean energy hubs voor binnenvaart en die op industriële schaal. Omdat de ruimtelijke randvoorwaarden (aan het water en/of op een groot oppervlak in industrieel gebied) zeer specifiek en het aantal vestigingslocaties beperkt is, is hier een proactieve overheid nodig die meezoekt naar geschikte locaties en deze ook ruimtelijk mogelijk maakt. 

Rollen van overheden in het creëren van de juiste randvoorwaarden voor clean energy hubs

Conclusie: knelpunten in toenemende vraag naar energy hubs

Klimaatverandering, prijzenstijging van fossiele brandstoffen en nationale regelgeving zorgen voor toenemende vraag naar clean energy hubs. In de afgelopen jaren zijn verschillende locaties ontwikkeld, maar de uitrol van een dekkend netwerk heeft nog onvoldoende snelheid om de doelen van het nationale programma voor clean energy hubs te behalen. Belangrijke knelpunten zijn het beschikbaar krijgen van ruimte en het rondrekenen van business cases voor schone brandstoffen, waarvan de markt nog in onvolwassen fase verkeert.

Verschillende overheden hebben elk een eigen rol om de uitrol van dekkende netwerken van clean energy hubs mogelijk te maken en om deze te versnellen: de rijksoverheid gaat over de locaties langs rijkswegen, provincies hebben de lead in een ruimtelijke strategie voor regionale netwerken, omgevingsdiensten beoordelen en verlenen omgevingsvergunningen en gemeenten en regio’s kunnen vraag en aanbod bij elkaar brengen. Een samenspel tussen alle overheden is noodzakelijk.


Foto: Arek Socha via Pixabay

27-09-2022
Nieuws
Zuid-Holland introduceert ‘bedrijfje erbij’ in omgevingsbeleid
Zuid-Holland introduceert ‘bedrijfje erbij’ in omgevingsbeleid

Terwijl ‘straatje erbij’ nog volop onderwerp van debat is, komt Zuid-Holland nu met een opvallende nieuwe variant: ‘bedrijfje erbij’. De provincie wil beperkte uitbreiding van bedrijventerreinen als aparte uitzondering opnemen in de Omgevingsverordening. In het Statenvoorstel voor de herziening van de Omgevingsvisie trekt Zuid-Holland tegelijk een strakkere lijn voor bouwen in de open ruimte.  De provincie wil een ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ opnemen in de Omgevingsverordening. Daarbinnen worden stedelijke ontwikkelingen sterker begrensd. Uitzonderingen blijven wel mogelijk.  Naast grote buitenstedelijke bouwlocaties, ‘straatje erbij’ en enkele kleinschalige ontwikkelingen noemt de provincie nu ook ‘bedrijfje erbij’: een regeling voor beperkte uitbreiding van bedrijventerreinen.  Die keuze is opmerkelijk omdat Zuid-Holland een term uit het woningbouwdebat doortrekt naar werken en economie.  ‘Straatje erbij’ draait om kleine woningbouwlocaties aan de rand van stad of dorp. Met ‘bedrijfje erbij’ zegt de provincie feitelijk dat ook bedrijven soms extra ruimte nodig hebben, terwijl de open ruimte juist beter moet worden beschermd. Uitzondering in streng ruimtebeleid De achtergrond is een bredere koerswijziging. Zuid-Holland wil zuiniger omgaan met de schaarse ruimte en onbebouwde gebieden beter beschermen.  Die ruimte is volgens de provincie nodig voor landbouw, water, energie en natuur. De provincie zet wonen en werken daarbij bewust naast elkaar. Voor ‘straatje erbij’ geldt al een specifieke regeling. Voor bedrijventerreinen in Zuid-Holland komt er nu een vergelijkbare route.  Daarmee wordt ‘bedrijfje erbij’ een nieuw instrument in hetzelfde debat over ruimte aan de randen van stad en dorp.  In de zienswijzen klonk bovendien door dat gemeenten behoefte hebben aan maatwerk en eigen afwegingen. Ook werden de regels voor ‘straatje erbij’ als te strikt ervaren.Functiemenging op campussen  De nieuwe term staat niet los van ander economisch beleid. In hetzelfde voorstel van GS staat dat de eind 2024 vastgestelde Ruimtelijk Economische Visie is verwerkt in het omgevingsbeleid. Ook zijn nieuwe regels opgenomen om de milieuruimte op bestaande bedrijventerreinen beter te benutten.  Op zwaardere terreinen moet de nieuwe vestiging van lichtere bedrijven worden beperkt. Verder wordt functiemenging mogelijk op campussen als Leiden Bio Science Park, TU Delft Campus en NL Space Campus.  De provincie herschrijft daarmee haar aanpak voor bedrijventerreinen op meerdere punten. Dat hangt ook samen met de nieuwe VNG-handreiking over milieuzonering.In de zienswijzen klonk zorg over die nieuwe systematiek, over risico’s voor bestaande terreinen en over te weinig uitbreidingsruimte in de onbebouwde ruimte. In reactie daarop zijn regels aangepast.  Tegelijk is ‘bedrijfje erbij’ daaraan toegevoegd. De term krijgt een plek in de Omgevingsverordening en wordt daarmee onderdeel van de regels waarmee de provincie richting geeft aan gemeentelijke omgevingsplannen.  Provinciale Staten nemen woensdag 3 juni 2026 een besluit over het voorstel.Lees het artikel ook op Stadszaken.nl

01-04-2026
Nieuws
Flevoland en Gelderland werken samen met regiogemeenten aan toekomstbestendige werklocaties
Flevoland en Gelderland werken samen met regiogemeenten aan toekomstbestendige werklocaties

De provincies Flevoland en Gelderland en de gemeenten Ermelo, Harderwijk, Putten en Zeewolde (EHPZ) werken samen aan een Regionaal Programma Werklocaties (RPW). Met dit programma worden gezamenlijke afspraken gemaakt over voldoende en toekomstbestendige ruimte voor bedrijven, de verduurzaming van bedrijventerreinen en het versterken van de regionale economie. De samenwerking draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en biedt ruimte voor groei van bedrijven.Provincies benadrukken belang van samenwerkenGedeputeerde Toon van Dijk (Flevoland) benadrukt het belang van regionale afstemming: “De druk op ruimte neemt toe. Juist daarom maken we samen duidelijke keuzes: ruimte voor wonen en ruimte voor werken. Zo geven we ondernemers perspectief en bouwen we aan een toekomstbestendige economie in de regio.”Ook in Gelderland wordt het belang van deze samenwerking onderschreven. Gedeputeerde Helga Witjes geeft aan: “Met dit programma zorgen we samen met de regio voor voldoende ruimte voor bedrijvigheid en verduurzaming. Fijn dat Ermelo, Harderwijk, Putten en Zeewolde hierin gezamenlijk optrekken.”Kracht van regionale samenwerkingMet het RPW laten de betrokken overheden zien dat zij over gemeente- en provinciegrenzen heen samenwerken aan belangrijke opgaven zoals economische ontwikkeling en duurzaamheid. Deze gezamenlijke aanpak is essentieel om de regio EHPZ sterk, vitaal en aantrekkelijk te houden voor zowel inwoners als ondernemers.

12-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief