Op 30 november 2022 bezochten Gelderse Statenleden bedrijventerreinen in Heteren en Bemmel. Ze spraken met ondernemers en gemeenten Overbetuwe en Lingewaard over herstructurering, vergroening en energietransitie. Duidelijk werd dat brede samenwerking grote projecten mogelijk maakt.

Nieuwe structuren op Poort van Midden-Gelderland Noord

Het werkbezoek startte in Heteren op bedrijventerrein Poort van Midden-Gelderland Noord. Ondernemers en vertegenwoordigers van gemeente Overbetuwe vertelden hoe een Gelderse subsidie de gezamenlijke plannen voor herstructurering, vergroening en verduurzaming verder gaat brengen. Ondernemers van het nabijgelegen bedrijventerrein Andelst-Oost lichtten toe hoe zij samen knelpunten aanpakken zoals het parkeren van vrachtwagens, veiligheid en de te versteende werkomgeving.

Eerste schoonmaakschool op actief bedrijventerrein De Houtakker

Kees Aalbers, een 72-jarige ondernemer uit Bemmel, liet met gepaste trots de eerste schoonmaakschool van Nederland zien: NESO. Doorslaggevend om NESO te vestigen op De Houtakker in Bemmel was de bedrijveninvesteringszone (BIZ). Ondernemers op dit bedrijventerrein werken intensief samen aan een aantrekkelijke, groene, duurzame en veilige werkomgeving. Behalve een steeds groener bedrijventerrein met wandelpaden en camerabeveiliging is eigen, duurzaam opgewekte energie ook binnen handbereik. Er zijn namelijk vergevorderde plannen voor een proef met een batterijopslag van duurzaam opgewekte energie met een slim energiemanagementsysteem. Daarvoor is een subsidieaanvraag ingediend bij Kenter (Alliander), Oost NL en provincie Gelderland. “We komen graag terug als de batterij in gebruik wordt genomen”, beloofden enkele enthousiaste Statenleden.

Collectieve projecten helpen

Op de terugweg naar het Huis der Provincie benadrukte Theo Föllings, onder andere voorzitter van de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland en directeur Innovatie van Oost NL, het belang van een laagdrempelige aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen. “Overheden kunnen met ondernemers en ondernemersverenigingen collectieve projecten echt aanjagen”, aldus Theo. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor het vestigingsklimaat van bedrijven en daarmee voor onze economie. Ze leveren een grote bijdrage aan de Gelderse doelen voor veiligheid, energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Ook in andere provincies en bij het Rijk is er steeds meer aandacht voor toekomstbestendige bedrijventerreinen.

Project- en procesondersteuning als aanpak

De integrale Aanpak Toekomstbestendige Bedrijventerreinen ondersteunt bedrijventerreinen en gemeenten. Meer over deze aanpak leest u op de Gelderse pagina over toekomstbestendige bedrijventerreinen. Perspectieffonds Gelderland (PFG) versnelt en versterkt de innovatiekracht van ondernemingen die zich bezighouden met grote maatschappelijke uitdagingen zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat. Meer hierover leest u op de website van Oost NL

06-12-2022
Nieuws
Rotterdam keert dalende trend: 71.000 m² méér bedrijfsruimte
Rotterdam keert dalende trend: 71.000 m² méér bedrijfsruimte

Door het beperken van transformaties, in combinatie met het stimuleren van uitbreiding en subsidies voor maakindustrie, is de voorraad bedrijfsruimte in Rotterdam afgelopen bestuursperiode met bijna 71.000 m² gegroeid. Daarmee heeft het stadsbestuur de aan zichzelf opgelegde doelstelling voor behoud van bedrijfsruimte gehaald.In het ‘Collegetarget Bedrijfsruimte’ uit 2022 staat dat de voorraad bedrijfsruimte tot 2026 minimaal op hetzelfde niveau moet blijven als in 2022: 4.269.525 m² bruto vloeroppervlakte (bvo). Daarmee was Rotterdam de eerste stad in Nederland die een expliciete doelstelling formuleerde voor het behoud van bedrijfsruimte. De teller stond op 1 november op 4.335.128 m² bvo. Dat is 70.657 m² meer dan in 2022, aldus de ‘Eindverantwoording 2022 – 2026’, waarin het college van Leefbaar Rotterdam, VVD, D66 en DENK haar eigen prestaties langs de meetlat legt.Actieplan BedrijfsruimteHet positieve saldo is vooral te danken aan het beperken van transformaties van bedrijfspanden en -locaties naar woningen. Grote, maar ook veel kleinere onttrekkingen zijn tegengehouden. Alleen al ‘op Zuid’ gaat dit om ruim 100.000 m². Daarnaast is nieuwbouw van bedrijfsruimte en uitbreiding gestimuleerd, met onder meer subsidie voor maakbedrijven en andere maatregelen uit het Actieplan Bedrijfsruimte, waarmee het college de bedrijfsruimtedoestellingen ondersteunde.Industrieel (mede)gebruikEen concreet voorbeeld is het besluit van het college van B en W om ruimte voor economie terug te brengen op het vrijgekomen voormalige Hunter Douglas-terrein op het Eiland van Feijenoord op Rotterdam-Zuid. De gemeente heeft ingestemd met herontwikkeling, onder voorwaarde dat er minimaal 33.000 m² bedrijfsruimte terugkomt, waarvan minimaal 18.000 m² in milieucategorie 3.1 of hoger. ‘Hunter Douglas’ wordt als grote trendbreuk in stedelijk beleid gezien, in elk geval in Rotterdam. Waar de afgelopen decennia de meeste voormalige haven- en fabrieksterreinen op Zuid werden getransformeerd naar woningbouw, wordt hier bewust gekozen voor behoud van industrieel (mede)gebruik. De ruimte is bedoeld voor de maritieme maakindustrie. ‘Deze sector is van vitaal belang voor zowel de Rotterdamse als de nationale economie’, aldus de gemeente.Banen voor Rotterdammers‘We hebben als college een duidelijke economische koers gekozen: ruimte voor Rotterdamse ondernemers. Die aanpak werkt. Rotterdam is de eerste gemeente die haar doel voor bedrijfsruimte heeft vastgesteld én gehaald en daarmee de neerwaartse trend keerde’, zegt wethouder Robert Simons. Bron: BT Online.nl

11-02-2026
Opinie
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’
'Zie bedrijventerreinen niet langer als geïsoleerde zones’

Bedrijventerreinen moeten niet langer uitsluitend worden bekeken als afgebakende werkgebieden met een functionele of logistieke rol. Volgens Karel Van den Berghe, planoloog en universitair hoofddocent ruimtelijke planning en stedelijke ontwikkeling aan de TU Delft, vraagt de veranderende economie om een bredere blik op de rol van deze gebieden.‘Van oorsprong zijn bedrijventerreinen een organisatorisch, topografisch en defensief concept, het gaat om zoveel vierkante meters, zoveel banen en zoveel milieuruimte’, zegt Van den Berghe.  Lange tijd was dat volgens de universitair hoofddocent - en lid van de Adviesraad van SKBN - een logische manier om economische functies ruimtelijk te ordenen. Maar die manier van kijken past volgens hem steeds minder goed bij de economische werkelijkheid van nu. Ook in het ruimtelijk debat worden bedrijventerreinen volgens hem nog vaak te beperkt benaderd. ‘Bedrijventerreinen worden vaak vergeten of puur technisch en logistiek ingestoken, en komen als laatste aan bod bij het bedenken en ontwerpen van stedelijke en regionale systemen’, zegt hij.  Daarmee raken ze gemakkelijk op de achtergrond in discussies over woningbouw, gemengde gebieden en stedelijke ontwikkeling. Historisch gegroeid perspectief De planoloog plaatst die onderwaardering nadrukkelijk in een historische context. Volgens hem is het klassieke denken over bedrijventerreinen sterk verbonden met het economische tijdperk waarin nationale economieën en sectoren centraal stonden.  ‘Veel concepten die we vandaag gebruiken, hebben een origine in verschillende momenten in deze verschillende tijdperken.’  ‘Tijdens Bretton Woods, met naties als dominante organisatie, was het handig om vergelijkingen tussen deze naties en activiteiten te maken. Hieruit komen de concepten van bruto nationaal product en “economische sector”.’ Het brede gebruik van bedrijventerreinen kwam volgens Van den Berghe pas echt op gang vanaf de jaren zeventig, toen de globalisering op stoom kwam.  ‘Om deze groei in economie te sturen, werden bedrijventerreinen een essentieel planologisch instrument om deze te bundelen, op zoek naar agglomeratievoordelen en specialisatie, en vooral het beheersen van externe factoren, zoals logistiek, lawaai of geur.’ In die zin waren bedrijventerreinen tegelijk aanjager en beheersinstrument van economische groei. Volgens de universitair hoofddocent aan de TU Delft veranderde dat tijdens de periode van hyperglobalisering ingrijpend. Nederland wist zich sterk te positioneren in handel, logistiek en internationale dienstverlening.  ‘Voor de immateriële diensten zijn het best gekend de gebiedsontwikkelingen Amsterdam-Zuid of de Kop van Zuid in Rotterdam’, zegt hij.  ‘Op het andere aspect was er geen plek in de wereld die zo goed zijn havens en infrastructuur uitbouwde om de enorme groei van logistiek tijdens hyperglobalisatie te accommoderen.’ Die ontwikkeling had ook gevolgen voor de positie van bedrijventerreinen buiten de grote logistieke en stedelijke knooppunten.  ‘Bedrijventerreinen, althans die buiten de havens, werden steeds minder belangrijk. De bedrijventerreinen, en al zeker die in of nabij grote steden, die tijdens hyperglobalisatie wel nog overbleven, daarvan kan men vandaag stellen dat die het volhielden ondanks en niet dankzij de ruimtelijke ordening.’Bedrijventerrein als schakel Volgens de TU Delft-onderzoeker is dat oude perspectief nog steeds zichtbaar in de manier waarop bedrijventerreinen vandaag worden benaderd.  Ook nu ziet hij dat terreinen in en nabij steden geregeld worden herontwikkeld vanuit een discours van creativiteit, menging of circulariteit, maar dat de uitkomst vaak vooral residentieel of commercieel is. ‘Eerst met het “omarmende” of “zalvende” discours van “creatief”, “woon/werk milieus”, “circulair” of “gemengd ontwikkelen”, maar in realiteit vaak toch wel overwegend richting residentieel en commercieel landgebruik.' Tegelijk vindt de van origine Vlaming dat juist nu een andere blik nodig is. Volgens hem leven we in een periode waarin deglobalisering, geopolitieke spanningen en kwetsbare ketens de economie veranderen. Dat betekent volgens de planoloog niet het einde van het bedrijventerrein. ‘Integendeel’, zegt hij, juist een herwaardering ervan.‘Bij veel herontwikkelingen van bedrijventerreinen in of nabij grote steden zie je nu al dat ze moeilijk bereikbaar, betaalbaar en afrondbaar zijn. En de grote schokken moeten waarschijnlijk nog komen.’ Van den Berghe benadrukt met name dat bedrijventerreinen niet als losse locaties moeten worden gezien, maar als onderdelen van een groter systeem.  ‘We moeten bedrijventerreinen niet langer zien als geïsoleerde zones, maar als onderdelen van een groter, cross-sectoraal netwerk dat innovatie, veerkracht en maatschappelijke waarde genereert’, zegt hij.  Daarmee verschuift ook de betekenis van zulke gebieden: niet alleen wat er direct op het terrein gebeurt telt, maar ook de rol die het speelt in bredere productieketens, logistieke structuren en samenwerkingsverbanden. De universitair hoofddocent wijst daarbij op plekken als Eindhoven, Leuven, Gent, Delft en Leiden. Zulke terreinen zijn volgens hem succesvol omdat ze ‘de kracht van de stad benutten - toegang tot talent en nabijheid van politieke en financiële centra - en tegelijk genoeg ruimte bieden om echt bedrijventerrein te zijn’.  Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ze staan nooit op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter netwerk van bedrijven en terreinen.’ Meer dan BNP en werkgelegenheid Volgens Van den Berghe gaat het mis als bedrijventerreinen alleen worden verdedigd met cijfers over banen, rendement of bruto nationaal product (BNP). ‘Toch worden die terreinen vaak verdedigd met simpele argumenten: hun aandeel in het BNP of het aantal banen dat ze opleveren.'  ‘Maar dit soort argumenten zijn vooral defensief en ‘calimero achtig’.’ Daarmee blijft volgens hem buiten beeld wat bedrijventerreinen maatschappelijk en economisch mogelijk maken. Een van de voorbeelden die hij noemt, is circulariteit. Die ontstaat volgens hem lang niet altijd op één locatie, maar juist in netwerken tussen bedrijven op verschillende terreinen.  ‘Ons recente onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat circulariteit in Nederland juist wordt gedragen door de goede samenwerking tussen bedrijven verspreid over verschillende bedrijventerreinen.’ Juist daarom is volgens de planoloog een ‘vernieuwende manier van ruimtelijk-economisch denken nodig, die verder gaat dan ‘rendement’, ‘BNP’, ‘topsector’, ‘winst’ of ‘aantal banen’. Die andere manier van denken heeft volgens hem ook gevolgen voor de ruimtelijke planning. De betekenis van zonering kan de komende jaren kantelen.  ‘Zonering zal in dit geval niet zoals vanaf de jaren 1970 zorgen voor het beperken van de ‘last’ van bedrijventerreinen, maar zonering zal er steeds meer voor zorgen dat bedrijventerreinen steeds minder 'last' hebben van de stad.’  'De kijk op bedrijventerreinen, stedelijke omgevingen en havengebieden moet anders. Beschouw ze niet als losse werelden, maar als onderdelen van hetzelfde economische en maatschappelijke systeem.'

31-03-2026
Aanmelden nieuwsbrief