Een middel tegen netcongestie: 18 bedrijven in het Noord-Brabantse Hapert openden gisteren een energiehub waarmee ze energie gaan delen. Het systeem ontlast het net, maar zorgt ook voor een efficiënter stroomgebruik onder de bedrijven. Hierdoor blijft groeien en verduurzamen mogelijk.

Via het lokale energiesysteem (hub) geven de bedrijven aan wat hun vraag en aanbod van stroom is. Sommige bedrijven hebben daarbij energie over en sommige juist een tekort. Het systeem regelt de verdeling en de betaling van de gevraagde elektriciteit. Ook duurzame energiebronnen zijn aangesloten.

Het mes snijdt aan twee kanten: het systeem maakt de bedrijven onafhankelijker van de beperkte capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. Ook zorgen de duurzame energiebronnen en efficiëntere stroomdeling voor ontlasting van het net.

Voor de hub tekenden de bedrijven op het Hapertse Kempisch Bedrijvenpark (KBP) gisteren een samenwerkingsovereenkomst met Enexis.

Het is een pilot van Enexis, gemeente Bladel, Provincie Noord-Brabant en de samenwerkende bedrijven, waaronder VDL Groep en VGI Groep.

Stroombalans

Volgens André Simonse van Firan, infraspecialist nieuwe energie, draai het bij deze hub om stroombalans: ‘De ideale mix voor een energiehub als deze bestaat uit enerzijds energieverbruik overdag en ‘s nachts - bijvoorbeeld door elektrische vrachtwagens te laden - én energieproductie uit zon, wind en warmtekrachtkoppeling.’

Om een energiehub voor elkaar te krijgen, is het volgens Simonse van belang dat bedrijven zich flexibel opstellen, dat een gemeente zich ondernemend opstelt én dat de netbeheerder van het elektriciteitsnet de nek durft uit te steken.

‘In het geval van het Kempisch bedrijventerrein is dat allemaal gelukt, waardoor alle partijen nu succesvol van start gaan.’

Volgens wethouder Hetty van der Hamsvoort (bedrijventerreinen) wisten overheden en ondernemers elkaar goed te vinden. ‘Dat is essentieel om deze pilot te laten slagen. Ook stimuleren we zo de technische en economische groei van de Brainportregio.’

Bram Gerrist van Enexis wijst erop dat de ontwikkeling van het energiesysteem een moeilijke technische en juridische puzzel was. ‘De belangen van de energiehub als groep, bedrijven individueel en Enexis als netbeheerder moesten samenkomen.’

Onvoldoende stroom

Marco van Geel, voorzitter KBP en directeur VGI Groep, is enthousiast over het systeem: ‘Ik heb mijn bedrijf op dit park gevestigd en daarvoor dure grond gekocht. Toen bleek al snel dat ik onvoldoende stroom kon krijgen.'

Van Geel moest daarom, samen met de andere betrokkenen, flink trekken aan het plan voor een energiehub. ‘Hiermee kunnen we met z’n allen blijven groeien en verduurzamen terwijl niemand zonder stroom zit.’ 

Lees het artikel ook op Stadszaken.nl.

 

Beeld: iStock - Tsvetan Ivanov

14-05-2024
Nieuws
Eerste stap gezet richting Maritime & Seafood Campus Urk
Eerste stap gezet richting Maritime & Seafood Campus Urk

Donderdag 12 februari 2026 zetten Provincie Flevoland en gemeente Urk samen met Firda, Horizon en 10 koploperbedrijven vanuit Urk Seafood en Urk Maritime, een belangrijke eerste stap richting de ontwikkeling van een Maritime & Seafood Campus Urk (MSCU). Met het ondertekenen van een intentieverklaring spreken de partners hun gezamenlijke ambitie en inzet uit om gezamenlijk de planfase vorm te geven. Gezamenlijk bouwen aan MSCU  Op basis van een haalbaarheidsonderzoek door Berenschot en de gesprekken met zowel seafood als maritieme bedrijven, zijn de kansen en mogelijkheden voor een campus verkend. Daaruit kwam naar voren dat een kennis-, innovatie- en opleidingscentrum op het gebied van maritiem en seafood de kansen lokaal en regionaal verder versterkt. Dit wordt door alle partijen onderschreven en daarom zetten ze gezamenlijk de schouders eronder om aan de slag te gaan. De ondertekening van deze intentieverklaring markeert meer dan een formele stap; het is het startpunt van een gezamenlijke beweging. De Maritime & Seafood Campus wordt een motor voor vernieuwing, duurzaamheid en groei. De gemeente Urk heeft hiervoor een kavel gereserveerd op het nieuwe bedrijventerrein Port of Urk.”Als regio pakken we de kansen die voor ons liggen en investeren we doelgericht in de toekomst van de maritieme en seafood sector. Samen zetten we koers naar een krachtige, toekomstbestendige campus”, aldus gedeputeerde Klopman. Van intentie naar uitvoering  De intentieverklaring markeert het begin van de planfase. In deze fase werken de partners samen aan: Concretisering van de campus: uitwerken van plan, programmering, scope, functies en businesscase Samenwerkingsprogramma’s: op duurzaamheid & innovatie en human capital & talentontwikkeling De ondertekening is een belangrijke eerste stap. De echte invulling – wie gaat wat doen, welke middelen zijn er nodig en hoe komen deze beschikbaar – volgt in de komende periode. Met deze stap geven de partners een duidelijk signaal: we gaan ervoor. Samen werken we aan een toekomstbestendige campus die als vliegwiel dient voor samenwerking, innovatie, talent, en groei in de maritieme en seafoodsector in Flevoland. “Een maritieme campus is de kweekvijver voor technische innovatie en maritiem talent in onze regio." aldus Meindert-Jan de Boer – Directeur De Boer Marine. Foto: ©Fotostudio-Wierd

12-02-2026
Nieuws
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?
Vlaams-Nederlands dilemma: wie stuurt doelgericht op ruimte voor economie?

Schaarste aan ruimte, energie en netcapaciteit dwingt Vlaanderen en Nederland tot scherpere keuzes. Op het eerste Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres in Brugge werd zowel vanuit Vlaamse als Nederlandse zijde duidelijk dat economische weerbaarheid niet ontstaat door afwachten, maar door actief sturen op waar, hoe en voor wie ruimte voor economie beschikbaar wordt gesteld.Kennisdeling over de grens is niet nieuw, maar zelden was die uitwisseling zo doelgericht als tijdens deze eerste gezamenlijke Vlaams-Nederlands Bedrijventerrein Congres. Zo’n tweehonderd beleidsmakers, ontwikkelorganisaties en experts zowel Vlamingen als Nederlanders spraken afgelopen week in het Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) over de vraag hoe bedrijventerreinen en economische ruimte kunnen bijdragen aan een weerbare economie, in een context waarin uitbreiden niet langer vanzelfsprekend is.In zijn opening via een videoverbinding plaatste Vlaams minister-president en minister van Economie Matthias Diependaele de centrale opgave expliciet in het hart van het economisch beleid. Productiviteit en competitiviteit zijn kernambities van het Vlaamse regeerakkoord, maar staan steeds vaker onder druk door fysieke grenzen.‘Economische groei en innovatie hebben ruimte nodig’, stelde Diependaele. ‘Ruimte voor ondernemingen om te investeren, te produceren en te innoveren. En precies daar ligt vandaag een van de grootste uitdagingen: ruimte is schaars.’Die schaarste vraagt volgens hem om doelgerichter sturen. ‘We moeten de ruimte die we hebben strategisch inzetten en expliciete keuzes maken over waar en hoeveel ruimte we voorzien voor economische activiteiten.’Met het Vlaamse actieplan ruimte voor bedrijvigheid wil de regering voorkomen dat economische ontwikkelingsruimte versnipperd raakt of langdurig onbenut blijft. Daarbij ziet hij een actieve rol voor de overheid, samen met lokale besturen en Vlaamse intercommunales. Via VLAIO wil Vlaanderen optreden als partner bij de complexe opgave om ruimte voor economie daadwerkelijk mogelijk te maken.Het Vlaams-Nederlandse karakter van het congres noemde hij daarbij essentieel. ‘We kunnen veel van elkaar leren. Ik ben ervan overtuigd dat we samen de Rijn-Maas-Scheldedelta verder kunnen uitbouwen tot een van de belangrijkste economische motoren van Europa.’Weerbaarheid centraalDe keynote van econoom Johan Albrecht (Itinera Institute, Universiteit Gent) plaatste die bestuurlijke ambities in een bredere Europese context. Volgens Albrecht is Europa de afgelopen jaren vooral bezig geweest met het compenseren van crises, in plaats van het versterken van zijn economische fundamenten.‘In 2022 en 2023 heeft Europa bijna 800 miljard euro uitgegeven aan energie? en crisissubsidies’, zei Albrecht. ‘Twee derde tot drie kwart daarvan is terechtgekomen bij gezinnen en bedrijven die die steun eigenlijk niet nodig hadden. Dat is pure verspilling.’Die aanpak maakt Europa volgens hem niet sterker voor toekomstige schokken. ‘We moeten stoppen met herstellen achteraf en werken aan structurele weerbaarheid.’ Die noodzaak wordt zichtbaar door de opeenvolging van geopolitieke spanningen en de grote afhankelijkheid van mondiale productieketens, ook voor vitale goederen.‘Vrijwel alle antibiotica en actieve farmaceutische stoffen worden vandaag geproduceerd in India en China. Als die supply chains worden doorgeknipt, kunnen Europese ziekenhuizen binnen één maand niet meer opereren.’Sturen noodzakelijkDe centrale vraag die Albrecht stelde, raakte direct aan het congresthema: wie stuurt werkelijk op economische ruimte? ‘Willen we economische ruimte actief aansturen, of blijven we doen alsof we alleen faciliteren en zien we wel wat er gebeurt?’In situaties van schaarste – aan ruimte, energie of netcapaciteit – worden volgens hem altijd keuzes gemaakt. ‘Als er netcongestie is en niet alles kan worden aangesloten, doet iemand industriebeleid. Alleen gebeurt dat vandaag vaak door netbeheerders en toezichthouders, zonder democratisch mandaat.’Dat leidt tot een impliciet en reactief industriebeleid. ‘Wat we nodig hebben, is een proactief en strategiegedreven industriebeleid waarin we durven kiezen.’Ruimte als hefboomInternationale voorbeelden laten volgens Albrecht zien dat zulke keuzes effect kunnen hebben. Landen als Hongarije en Polen wisten in relatief korte tijd een batterij-industrie op te bouwen met gerichte staatssteun, snelle vergunningverlening, vooraf ingerichte bedrijventerreinen en gegarandeerde energie-aansluitingen. Duitsland ontwikkelde rond Dresden een halfgeleidercluster, vooral gericht op automotive toepassingen. Voor Vlaanderen en Nederland ligt de sleutel niet in kopiëren, maar in het benutten van eigen sterktes. Daarbij waarschuwde Albrecht voor ver doorgeschoten specialisatie van bedrijventerreinen. ‘De echte bron van economische vooruitgang is diversiteit, niet specialisatie. Innovatie ontstaat op het snijpunt van sectoren.’Dat pleit voor gemengde economische omgevingen waarin functies elkaar versterken. ‘Je moet niet elk park één functie geven. Juist menging vergroot de kans op kruisbestuiving.’Deelsessies in teken van visie naar instrumentNaast het plenaire programma boden de break-out sessies tijdens het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres, een initiatief van vakblad BT in samenwerking met partners VLAIO en Vlinter (een samenwerkingsverband van 12 Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, red.), verdieping rond de vraag hoe beter benutten in de praktijk vorm krijgt. Waar het plenaire debat draaide om richting en keuzes, stonden in de deelsessies instrumenten, governance en uitvoering centraal. De focus lag op de ‘hoe vraag’ dus het (beter) benutten van bestaande sturingsmiddelen, zoals het Vlaamse terugkooprecht, bovenlokale programmering en afspraken over uitgifte en herontwikkeling. Daarbij ging het minder om juridische techniek dan om bestuurlijke vragen: wie stuurt, wanneer grijp je in en hoe houd je dat legitiem. Ook herontwikkeling van bestaande terreinen, verweving van functies en de noodzaak van regionale samenwerking kwamen herhaaldelijk terug. Gezamenlijk lieten de sessies zien dat het debat is verschoven van of sturing nodig is naar hoe die sturing uitvoerbaar en consistent wordt ingericht. De vragen die in de break?out sessies concreet op tafel kwamen, raken daarmee aan een fundamentelere kwestie: hoe kijken we eigenlijk naar bedrijventerreinen in ons economische en ruimtelijke denken?Die vertaalslag stond centraal in het plenaire gesprek tussen Mark Andries (directeur VLAIO) en Jurgen Geelhoed (directeur Regio & Ruimte bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken). Beide deden een poging om concreet te maken wat ‘beter benutten’ in beleid en praktijk betekent. Geelhoed schetste hoe Nederland de afgelopen jaren scherper is gaan kiezen. ‘We hebben een aantal sectoren aangewezen met hoge toegevoegde waarde of een duidelijke bijdrage aan transities en weerbaarheid. Daar koppelen we het begrip productief ruimtegebruik aan.’Andries benadrukte dat beter benutten meer is dan verdichten alleen. ‘Productiviteit gaat niet alleen over arbeid, maar ook over ruimte. Hoe halen we meer waarde uit elke vierkante meter die we gebruiken?’Dat vraagt volgens hem ook om innovatie op bedrijventerreinen zelf. ‘Op veel terreinen in Vlaanderen lijkt de tijd stil te staan. Daar moet opnieuw durf en experiment in komen.’Schaarste dwingt tot keuzesNetcongestie maakt volgens beide sprekers duidelijk dat sturen onvermijdelijk is. ‘In Nederland staan duizenden bedrijven op de wachtlijst voor een aansluiting’, aldus Geelhoed. ‘Dan moet je prioriteiten stellen.’Die keuzes worden vaak impliciet gemaakt. Volgens Andries hoort dat niet zo. ‘De vraag is niet of we kiezen, maar wie kiest en op basis waarvan.’ Dat vraagt om gezamenlijke programmering tussen rijk, regio’s en gemeenten, in plaats van adhoc beslissingen.Een gevoelig punt daarbij is de verhouding tussen landbouw en industrie. Geelhoed wees erop dat herverdeling van landbouwgrond ruimte kan bieden voor transities, maar Andries waarschuwde voor polarisatie. ‘Landbouw is economie. Zonder landbouw geen voedingsindustrie. Een groot gevecht tussen sectoren is niet productief.’Volgens Andries ligt de sleutel vooral bij het activeren van gronden die al bestemd zijn voor bedrijvigheid. ‘In Vlaanderen liggen nog honderden hectaren industriegrond die vandaag niet economisch worden benut. Daar moeten we gerichter op sturen.’In de afsluitende keynote plaatste planoloog Karel Van den Berghe (TU Delft) het hernieuwde belang van bedrijventerreinen in een historisch en conceptueel kader. Volgens hem is het denken over bedrijventerreinen decennialang heen en weer geschoten tussen afwijzing en idealisering - een jojo-beweging die leidt tot inconsistent beleid, aldus Van den Berghe. Van den Berghe duidde dat met het concept van een trilemma: duurzaamheid, veiligheid en betaalbaarheid. ‘Het is een onoplosbare keuze. Elke richting die je kiest, heeft per definitie negatieve gevolgen voor de andere twee.’ Dat botst volgens hem met het diepgewortelde idee van maakbaarheid in de ruimtelijke planning, waarin gebieden worden ontworpen alsof ze afgerond en geoptimaliseerd kunnen worden.De geschiedenis van de globalisering laat zien hoe die keuzes verschuiven. Na de oorlog stond veiligheid centraal en werd economie vooral nationaal georganiseerd. Daarna volgde een sterke focus op betaalbaarheid en schaalvoordelen, met globalisering en vergaande zonering als ruimtelijke vertaling. Bedrijventerreinen fungeerden toen vooral als plekken om economische activiteit te kanaliseren en af te schermen van wonen. Die fase is volgens Van den Berghe voorbij. In een tijd van deglobalisatie en geopolitieke onzekerheid staat productie opnieuw centraal. Daarmee keren bedrijventerreinen terug als cruciale schakels in economische systemen. Maar hij waarschuwde voor een nieuwe valkuil: het uitsluitend defensief benaderen van bedrijventerreinen met losse argumenten als werkgelegenheid, circulariteit of innovatie. ‘Dat is een Calimero discussie, en daardoor kwetsbaar.’Bedrijventerreinen zijn onderdelen van netwerkenVolgens Van den Berghe moeten bedrijventerreinen worden benaderd als onderdelen van netwerken van waarde. Niet het individuele bedrijf is doorslaggevend, maar de samenhang tussen bedrijven, sectoren en regio’s - vaak over gemeente? en landsgrenzen heen. Daarbij gaat het niet alleen om start ups of scaleups. ‘Ook de ogenschijnlijk gewone bedrijven zijn cruciaal om economische levenscycli draaiende te houden.’De kernboodschap van Van den Berghe luidde: de stad heeft bedrijventerreinen nodig, maar bedrijventerreinen hebben ook de stad nodig. 'Onder hyperglobalisatie zochten steden economische betekenis en had de stad bedrijventerreinen nodig; in het huidige tijdsgewricht zijn bedrijventerreinen afhankelijk van stedelijke netwerken, kennis, arbeidsmarkten en voorzieningen om relevant te blijven.'Daarmee sluit hij aan bij de centrale conclusie bij de eerste editie van het Vlaams-Nederlandse Bedrijventerrein Congres. In een context van schaarste vraagt economische weerbaarheid niet om nostalgie of romantisering, maar om consequent beleid waarin keuzes expliciet worden gemaakt. Bedrijventerreinen zijn volgens de planoloog geen probleem dat moet worden opgelost, maar een strategische realiteit waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

02-04-2026
Aanmelden nieuwsbrief